Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.5.3:5.5.3 Tussenconclusie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.5.3
5.5.3 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457686:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat zegt het bovenstaande nu over de betekenis van het budgetrecht zoals vastgelegd in artikel 105 Gw? Mijns inziens sluit een materiële interpretatie van dit recht het meest aan bij deze schets van de omvang en betekenis van het budgetrecht. De ontwikkeling van het budgetrecht laat zien dat het parlement steeds meer zeggenschap heeft gekregen bij de besteding van overheidsgelden, wat past bij de in het algemeen sterker wordende rol van de Staten-Generaal in de negentiende eeuw. Deze ontwikkeling van het budgetrecht leidde tot een discussie in de staatsrechtelijke literatuur over de vraag welke mate van zeggenschap hoort bij de bijzondere aard van dit recht. Inmiddels is die discussie over de omvang van het budgetrecht vooral gericht op de feitelijke mate van zeggenschap van het parlement, en niet zozeer meer op de mate van zeggenschap die principieel aan het parlement wordt toegekend bij de uitoefening van het budgetrecht. Die zeggenschap zelf is in de literatuur weinig omstreden. Aandacht gaat vooral uit naar de vraag hoe de betrokkenheid van het parlement bij de begrotingsbehandeling kan worden vergroot. Mijns inziens biedt het voorgaande aanknopingspunten voor een materiële benadering van het budgetrecht, omdat juist de zeggenschap van het parlement centraal stond bij de ontwikkeling van het budgetrecht en die tegenwoordig in de literatuur grotendeels verondersteld wordt. Op grond hiervan ligt een materiële invulling van het budgetrecht naar mijn mening het meeste voor de hand.
Dat wil niet zeggen dat het budgetrecht per se materieel moet worden ingevuld. Het parlement heeft bij de invulling van zijn budgetrecht een grote vrijheid en kan op grond van het bovenstaande ook besluiten om dit recht formeel in te kleuren. Dat ligt overigens niet erg voor de hand, omdat bij een materiële interpretatie van het budgetrecht de positie van het parlement sterker is dan bij een formele benadering, zoals hiervoor aan de orde kwam. Te verwachten valt daarom dat het parlement aan het budgetrecht eerder een materiële dan een formele invulling zou geven. De wijze waarop het parlement zelf invulling heeft gegeven aan het budgetrecht in het kader van Europese integratie komt in het volgende deel van dit proefschrift aan de orde.