Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.1:7.1 Opzet van het hoofdstuk
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.1
7.1 Opzet van het hoofdstuk
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971852:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Geis 2019, p. 444 e.v.
De basis voor het evenredigheidsbeginsel is uitgewerkt in Alexy 2009. Zie ook Alexy 2021, waarin dit werk alsmede de daaropvolgende werken zijn samengevat. Zie over het evenredigheidsbeginsel in het ondernemingsrecht onder meer Van Ginneken & Timmerman 2011 en De Jongh 2011 in Ondernemingsrecht 2011/17, met als thema het evenredigheidsbeginsel (zie ook de column van Hammerstein in Ondernemingsrecht 2011/122).
Zie De Jongh 2011, par. 2.1, met verwijzingen aldaar.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk ziet op de regulering van de wettelijke informatierechten van aandeelhouders. Ik heb in hoofdstuk 2 toegelicht dat transparantieplichten van de vennootschap steeds zijn gestoeld op een belangenafweging. Dat geldt ook voor informatierechten van aandeelhouders, die de resultante zijn van de afweging van de betrokken aandeelhoudersbelangen en het belang van de vennootschap. In hoofdstukken 3, 4 en 5 heb ik laten zien hoe die afweging in verschillende situaties wordt gemaakt. In hoofdstuk 6 is behandeld in welke mate partijen de vrijheid hebben om contractuele afspraken te maken over deze belangenafweging. Deze belangenafweging is een zeer casuïstische toets waarbij steeds dezelfde gezichtspunten in ogenschouw worden genomen. Het is daardoor in feite steeds dezelfde belangenafweging die wordt gemaakt. Daaruit volgt dat één uniforme benadering bestaat voor alle informatierechten van aandeelhouders.
Bij de regulering van informatierechten van aandeelhouders staat centraal de vraag hoe hoog de drempel dient te liggen om informatieverstrekking te rechtvaardigen.1 Bij een hoge drempel zal het betrokken belang van de aandeelhouder van groter gewicht moeten zijn om informatieverstrekking te rechtvaardigen dan bij een lagere drempel, en vice versa. Bij een lagere drempel past ruimhartigere informatieverstrekking, waarbij de aandeelhouder aanspraak kan maken op meer gedetailleerde informatie. De vennootschap zal dan minder snel informatieverstrekking kunnen weigeren met een beroep op een zwaarwichtig belang. Deze drempel raakt dus zowel de ondergrens als de bovengrens van het informatierecht.
Bij de zoektocht naar een evenwichtige regulering van informatierechten is het streven deze drempel zodanig te stellen dat het belang van de aandeelhouder zo goed mogelijk wordt gediend terwijl de inbreuk op het belang van de vennootschap zoveel mogelijk wordt beperkt. Daartoe stel ik een toets voor die bestaat uit twee elementen: eerst dient te worden vastgesteld of de aandeelhouder een redelijk belang heeft bij toegang tot informatie, en vervolgens dient dat belang te worden afgewogen tegen het belang van de vennootschap bij geheimhouding van die informatie.
In deze tweevoudige toets komt het evenredigheidsbeginsel naar voren.2 Het evenredigheidsbeginsel biedt een methodiek om te beoordelen of een bevoegdheidsuitoefening in de gegeven omstandigheden van het geval toelaatbaar is. Hoewel het evenredigheidsbeginsel is ontwikkeld voor de afweging van twee botsende publiekrechtelijke beginselen, kan deze methodiek ook van betekenis zijn in private verhoudingen. Binnen het ondernemingsrecht, en overigens ook binnen het bredere privaatrecht,3 wordt een belangrijke rol toebedeeld aan het evenredigheidsbeginsel in situaties waarin een belangenafweging plaatsvindt.
Ik sta hierna in paragraaf 7.2 stil bij de elementen van een evenwichtig informatierecht. Vervolgens behandel ik in paragraaf 7.3 het redelijk belang-vereiste. De belangenafweging komt aan bod in paragraaf 7.4, waarbij ik gezichtspunten schets die daarbij richting kunnen geven. Bij de discussie over informatierechten wordt veelal ook verwezen naar het gelijkheidsbeginsel. In paragraaf 7.5 licht ik toe dat de betekenis van dit beginsel bij de regulering van informatierechten niet moet worden overschat. In paragraaf 7.6 deel ik enkele slotbeschouwingen.