Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.5.2.3
5.5.2.3 Positieve verplichtingen en geschillen tussen private partijen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS370887:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 7 november 2002, JOR 2005/111 m.nt. Vossestein (Sovtransavto). Zie voor een samenvatting van de daarop volgende rechtspraak EHRM 3 april 2012, application nr. 54522/00 (Kotov)
Vgl. ook EHRM 1 december 2005, application.nr. 63252/00 (Păduraru).
EHRM 7 juni 2005, application nr. 71186/01 (Fuklev).
EHRM 19 maart 1997, application nr. 18357/91 (Hornsby), r.o. 40.
EHRM 14 oktober 2008, application nr. 70930/01 (Blumberga).
EHRM 7 mei 2015, NJ 2016, 253 m.nt. Verstappen (S.L. en J.L.). Zie ook de noot van Florescu bij dit arrest (EHRC 2015/154).
Zie de hiervoor genoemde noot van Florescu.
In het eerder ter sprake gekomen Sovtransavto-arrest1 oordeelde het EHRM dat op de EVRM-lidstaten een positieve verplichting rust om er voor te zorgen dat geschillen tussen burgers over eigendomsrechten kunnen worden beslecht in rechtelijke procedures die – kort gezegd – beantwoorden aan art. 6 EVRM. Daaraan had de desbetreffende lidstaat (de Oekraïne) niet voldaan. Tot de tekortkomingen behoorde onder meer dat de Oekraïense feitenrechters in de desbetreffende procedure zich niet gebonden achten aan uitspraken van hogere rechters. Daardoor konden en moesten procedures steeds worden heropend en bestond bijgevolg rechtsonzekerheid voor de eigenaar. Deze onzekerheid werd vergroot doordat de uitvoerende macht (een gemeente), die geen partij was bij de procedure(s), zich toch met de procedure(s) bemoeide. Door deze problemen was de klager in zijn eigendom aangetast.2 Dat op de EVRM-lidstaten een dergelijke positieve verplichting rust, volgt in feite reeds uit het aanvaarden van art. 6 EVRM.
In aanvulling het Sovtransavto-arrest overwoog het EHRM in het Fuklev- arrest3 dat de EVRM-lidstaten hun eigen wettelijke bepalingen ten aanzien van de tenuitvoerlegging van onherroepelijke vonnissen en faillissementen moeten naleven. Ook dit volgt echter reeds uit art. 6 EVRM.4
In het Blumberga-arrest5 ging het EHRM nog een stapje verder door te oordelen dat de lidstaten in voorkomende gevallen een schadevergoedingsactie moeten bieden voor het geval het recht op ongestoord genot van eigendom wordt geschonden door een private persoon.
“The Court considers that in the context of Article 1 of Protocol No. 1, when an interference with the right to peaceful enjoyment of possessions is perpetrated by a private individual, a positive obligation arises for the State to ensure in its domestic legal system that property rights are sufficiently protected by law and that adequate remedies are provided whereby the victim of an interference can seek to vindicate his rights, including, where appropriate, by claiming damages in respect of any loss sustained.”
Het lijkt hier te gaan om een uitwerking van art. 41 EVRM, dat recht geeft op een billijke genoegdoening, indien het nationale recht geen recht geeft op volledig herstel naar aanleiding van een schending van een door het EVRM gewaarborgd recht.
In het S.L. en J.L.-arrest6 stonden ook kinder(eigendoms)rechten centraal. De klagers waren in hun kindertijd eigenaar van een villa. Hun moeder was, in haar hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordiger van de klagers, een ruilovereenkomst aangegaan. De villa werd omgeruild voor een veel goedkopere flat. Om deze ruilovereenkomst te kunnen sluiten had de moeder de goedkeuring nodig van een (Kroatisch) overheidsorgaan. De manier waarop die toestemming was verkregen, was met allemaal procedurele tekortkomingen gepaard gegaan waardoor er onvoldoende oog was geweest voor het feit dat deze ruil niet in het belang van de klagers was. Op latere leeftijd spraken de klagers daarop het desbetreffende overheidsorgaan aan, maar dat bood geen soelaas, omdat de daarvoor geldende termijnen reeds waren verstreken. Daarbij was van belang dat de klagers om deze termijnen te halen, reeds op minderjarige leeftijd procedures hadden moeten entameren.
In het arrest verwijst het EHRM naar de hierboven besproken rechtspraak. In dat kader beoordeelde het EHRM of in de procedures, waarmee de eigendomsrechten van de klagers had kunnen worden beschermd, wel voldoende rekening gehouden werd met hun rechten als kinderen. Bij de beoordeling van die vraag putte het EHRM (impliciet) inspiratie uit kinderrechtenverdragen.7