NJB 2019/1504:Door de politie opvragen van inkomensgegevens van de verdachte bij de Belastingdienst, mede op grond van welke gegevens de verdenking is ontstaan dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen: onjuist is de opvatting dat dit opvragen bij uitsluiting dient te geschieden door aanwending van de bevoegdheid van art. 126nd Sv. Op grond van art. 67 lid 2 AWR jo art. 43c lid 1 onder m UR AWR 1994 is immers de Belastingdienst bevoegd tot het verstrekken aan daar genoemde andere bestuursorganen – waaronder de politie – van onder meer de gegevens die nodig zijn om de samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te laten verlopen voor zover daartoe een convenant als het onderhavige met die bestuursorganen is gesloten, en mag de politie zich die gegevens – al dan niet op haar verzoek – doen verstrekken. Voor de uitoefening van vorenstaande bevoegdheid is het bestaan van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit niet vereist. Evenmin staat het bestaan van zo een vermoeden aan die uitoefening in de weg