HR, 23-10-2026, nr. 24/03777
ECLI:NL:HR:2026:1729
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-10-2026
- Zaaknummer
24/03777
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:1729, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑10‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2744
- Vindplaatsen
NLF 2026/2262
NDFR Nieuws 2026/1630
Uitspraak 23‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03777
Datum 23 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING WEST-BRABANT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 augustus 2024, nrs. 22/1511 tot en met 22/15131., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/6317, 20/7555 en 21/2187) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor de jaren 2019 en 2020, de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en in de rioolheffing van de gemeente Breda, de aanslagen in de watersysteemheffing eigenaren van het waterschap Brabantse Delta voor die jaren en de verzoeken van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het Dagelijks Bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) voor het jaar 2020 aan belanghebbende een beschikking gegeven (hierna: de WOZ-beschikking) en daarbij de waarde van een aan belanghebbende toebehorende onroerende zaak vastgesteld. Tevens is aan belanghebbende een aanslag in de watersysteemheffing voor het jaar 2020 (hierna: de aanslag) bekendgemaakt. De heffingsgrondslag voor de watersysteemheffing wordt in dit geval gevormd door de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van Hoofdstuk IV van de Wet WOZ.
2.2
Belanghebbende heeft op 10 juni 2020 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en tegen de aanslag. In haar bezwaar tegen de WOZ-beschikking heeft zij de vastgestelde waarde ter discussie gesteld. In haar bezwaar tegen de aanslag heeft zij onder meer klachten aangevoerd die betrekking hebben op overschrijding van de opbrengstlimiet. De waarde van de onroerende zaak heeft zij in dat bezwaar niet ter discussie gesteld.
2.3
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 29 juli 2020 in gebreke gesteld ten aanzien van het niet-tijdig doen van uitspraak op deze bezwaren. Bij beschikking van 19 november 2020 (hierna: de dwangsombeschikking) heeft de heffingsambtenaar de ingebrekestelling niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beslistermijnen naar zijn oordeel nog niet waren verstreken. Daarom heeft hij bij die beschikking niet de verschuldigdheid van een dwangsom vastgesteld.
2.4
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de dwangsombeschikking.
2.5
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 5 maart 2021 uitspraak gedaan op de bezwaren tegen de WOZ-beschikking en tegen de aanslag.
2.6
Met dagtekening 1 april 2021 heeft de heffingsambtenaar uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking en daarbij het bezwaar ongegrond verklaard.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de heffingsambtenaar een dwangsom is verschuldigd omdat hij niet tijdig uitspraak heeft gedaan op het bezwaar tegen de aanslag.
3.2
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0411 (hierna: het arrest van 15 oktober 2010), heeft het Hof geoordeeld dat artikel 131 van de Waterschapswet in overeenstemming met zijn strekking zo moet worden uitgelegd dat in een geval waarin zowel bezwaar is gemaakt tegen een WOZ-beschikking als tegen een daarmee samenhangende aanslag in de waterschapsomslag, op het laatstbedoelde bezwaar eerst uitspraak mag worden gedaan nadat de WOZ-beschikking onherroepelijk is komen vast te staan. Het Hof is daarom van oordeel dat de beslistermijn op een bezwaar tegen een aanslag in de watersysteemheffing eerst aanvangt nadat is beslist op het tegen de daarmee samenhangende WOZ-beschikking ingediende bezwaar. In dit geval is gelijktijdig beslist op de bezwaren tegen de WOZ-beschikking en de aanslag in de watersysteemheffing. Daaruit volgt naar het oordeel van het Hof dat de heffingsambtenaar tijdig heeft beslist op het bezwaar tegen de aanslag. Hiervoor is daarom geen dwangsom verbeurd, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de middelen
4.1.1
Het tweede middel richt zich tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel doet een beroep op de tekst van artikel 131 van de Waterschapswet, en leidt daaruit af dat de in dit artikel vervatte regel over de beslistermijn buiten toepassing blijft in gevallen als dit, waarin het bezwaar tegen een aanslag in de watersysteemheffing zich richt op overschrijding van de opbrengstlimiet en daarmee niet raakt aan feiten en omstandigheden die mede van belang zijn voor de vaststelling van de WOZ-waarde.
4.1.2
Artikel 131 van de Waterschapswet geeft een bijzondere regel voor de termijn waarbinnen uitspraak op bezwaar moet worden gedaan. Deze regel heeft betrekking op gevallen waarin zowel bezwaar wordt gemaakt tegen een belastingaanslag in de heffing ter zake van een gebouwde of ongebouwde onroerende zaak, als tegen een op de voet van Hoofdstuk IV van de Wet WOZ gegeven beschikking die ten grondslag heeft gelegen aan deze belastingaanslag. Indien feiten en omstandigheden in het geding zijn die zowel van belang zijn voor de heffing ter zake van een gebouwde of ongebouwde onroerende zaak als voor de vaststelling van de waarde op de voet van genoemd Hoofdstuk IV, vangt de termijn waarbinnen de heffingsambtenaar van het waterschap uitspraak moet doen op het eerstbedoelde bezwaar volgens deze regel pas aan op het tijdstip waarop de op de voet van dat Hoofdstuk IV van de Wet WOZ gegeven beschikking onherroepelijk is komen vast te staan.2.De laatstgenoemde, in de wet gestelde voorwaarde wordt weliswaar niet vermeld in het arrest van 15 oktober 2010, maar daarmee heeft de Hoge Raad – anders dan het Hof kennelijk heeft aangenomen – niet beslist dat aan deze voorwaarde voorbij kan worden gegaan.
4.1.3
Aan deze voorwaarde is in dit geval niet voldaan. Belanghebbende heeft in haar bezwaar tegen de aanslag geen klachten aangevoerd met betrekking tot de WOZ-waarde waarop die aanslag is gebaseerd. Als gevolg daarvan is artikel 131 van de Waterschapswet in dit geval niet van toepassing.3.Het middel slaagt.
4.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.3.1
Gelet op wat hiervoor in 4.1.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.3.2
Aangezien artikel 131 van de Waterschapswet in dit geval niet kan worden toegepast, en destijds geen andere bijzondere beslistermijn van toepassing was, geldt voor het bezwaar tegen de aanslag de algemene regeling over de beslistermijn van artikel 7:10 Awb. Uit wat hiervoor in 2.2 en 2.5 is vermeld, volgt dat die termijn is overschreden.
4.3.3
De heffingsambtenaar heeft voor het Hof betoogd dat voor het overschrijden van de beslistermijn met betrekking tot de WOZ-beschikking al een dwangsom is toegekend, en dat deze dwangsom niet behoort te cumuleren met een dwangsom wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag. Met betrekking tot dit door het Hof niet-behandelde geschilpunt overweegt de Hoge Raad als volgt.
4.3.4
Indien iemand gelijktijdig twee of meer identieke of nagenoeg identieke aanvragen tot het geven van een beschikking (bijvoorbeeld bezwaarschriften) indient bij hetzelfde bestuursorgaan, en daarop niet tijdig wordt beslist, moet worden aangenomen dat die aanvragen een zodanige samenhang vertonen dat een redelijke toepassing van artikel 4:17 Awb meebrengt dat met één dwangsom kan worden volstaan.4.Anders dan de heffingsambtenaar voor het Hof heeft betoogd, is de enkele omstandigheid dat de bezwaren zich richten tegen besluiten die op hetzelfde aanslagbiljet zijn vermeld, daarvoor onvoldoende.
4.3.5
In dit geval doet een situatie als hiervoor in 4.3.4 bedoeld zich niet voor. Uit de hiervoor in 2.2 vermelde uitgangspunten volgt namelijk dat belanghebbende tegen de aanslag andere bezwaren heeft aangevoerd dan tegen de WOZ-beschikking, zodat geen sprake is van identieke of nagenoeg identieke aanvragen.
4.3.6
Belanghebbende heeft daarom recht op een dwangsom wegens het niet-tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de aanslag, en wel de maximale dwangsom van € 1.442 aangezien de heffingsambtenaar, gelet op wat hiervoor in 2.3 en 2.5 is vermeld, meer dan 42 dagen in gebreke is gebleven daarop te beslissen.
5. Proceskosten
5.1
Het Dagelijks Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
5.2
De stukken van het geding bevatten niet de motivering van het bezwaar tegen de dwangsombeschikking, en bevatten daardoor onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen of belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van dat bezwaar, en in verband daarmee recht heeft op een vergoeding van die kosten. De Hoge Raad zal daarnaar nader feitenonderzoek doen, zoals hierna in 6.4 beschreven.
6. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
6.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm5., gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op wat de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
6.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 6.1 bedoelde beoordeling te maken.
6.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. Het Dagelijks Bestuur zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
6.4
Gelet op wat hiervoor in 5.2 is overwogen, is de Hoge Raad in dit stadium van het geding evenmin in staat een beslissing te nemen over de vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen de hiervoor in 2.3 bedoelde dwangsombeschikking van 19 november 2020. Daarom zal de Hoge Raad, die ook hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing daarover te nemen, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken waaruit is af te leiden of zij in de bezwaarfase heeft verzocht om een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van dat bezwaar. Het Dagelijks Bestuur zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om ook daarop schriftelijk te reageren.
7. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 6.3 en 6.4 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑10‑2026
Vgl. de memorie van toelichting bij het met artikel 131 van de Waterschapswet overeenstemmende en inmiddels vervallen artikel 241 van de Gemeentewet, Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 22.
Vgl. de in voetnoot 2 vermelde memorie van toelichting, waarin is vermeld dat de desbetreffende regeling buiten toepassing blijft indien het bezwaarschrift tegen de aanslag niet raakt aan feiten en omstandigheden die mede van belang zijn voor de vaststelling van de WOZ-waarde, waarbij als voorbeeld het geval wordt genoemd waarin het bezwaar tegen de aanslag uitsluitend is gericht tegen het gehanteerde tarief.
Vgl. ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1870, rechtsoverweging 5.1, en HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352, rechtsoverweging 2.3.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.