Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/8.2
8.2 De kernbevoegdheid van een beheertraject: innen van de huurpenningen
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS625886:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Tot het moment van opeisbaar worden maken de huurvorderingen als burgerlijke vruchten deel uit van het verhypothekeerde vastgoed en vallen ze als niet zelfstandige (en toekomstige) goederen onder het hypotheekrecht. De hypotheekhouder heeft hier weinig aan, nu die vorderingen, zodra ze opeisbaar worden, zelfstandige goederen zijn (art. 3:9 lid 4 BW) en dan weer niet meer onder het hypotheekrecht vallen. Zie hierover Rongen 2012, nr. 898.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 820 (art. 3.9.4.9 O.M.).
Dit praktijkvoorbeeld moet worden bezien onder vigeur van het oud BW. Zie over de toepassing van de cessie tot zekerheid onder het oud Burgerlijk Wetboek Struycken en Heilbron, GS Vermogensrecht, art. 3:84 BW, aant. 3.1.4.3. Zie ook Van Mierlo 1991.
Om de debiteur bevrijdend aan de cessionaris te laten betalen, moest de akte wel worden betekend, zie art. 668 lid 2 BW (oud) en art. 1422 BW (oud). Zie ook Zwalve 2000 en Rank 1992, p. 9 e.v.
De cessie tot zekerheid is immers niet meer mogelijk, zie art. 3:84 lid 3 BW. Anders: Van Mierlo 1991a, die in art. 3:84 lid 3 BW geen obstakel ziet voor cessie van huurtermijnen aan de hypotheekhouder. Ook Snijders noemt in zijn noot bij het hierna te bespreken arrest HR 25 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0122, NJ 1992/172, m.nt. Snijders (Van Berkel/Tribosa) de mogelijkheid dat de hypotheekhouder de huurvorderingen aan zichzelf laat cederen en aldus na executieverkoop van het pand kan doorcederen aan de verkrijger.
Art. 3:246 BW. Op de inningsbevoegdheid van de hypotheekhouder als pandhouder wordt hierna in par. 8.5 dieper ingegaan. Zie over verpanding van toekomstige huurvorderingen Schuijling 2016, par. 5.3.3, 6.3.2 en 6.3.3.
HR 25 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0122, NJ 1992/172, m.nt. Snijders (Van Berkel/Tribosa).
Zie r.o. 3.3 in HR 25 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0122, NJ 1992/172, m.nt. Snijders (Van Berkel/Tribosa).
De Hoge Raad neemt nog enkele tussenstappen, zoals uiteengezet door Snijders in zijn noot bij het arrest.
De huurovereenkomst gaat ingevolge art. 7:226 lid 2 BW over op de koper.
Dit is m.i. in lijn met de gedachte dat het Nederlands recht geen algemeenheid van goederen kent waarop een goederenrechtelijk recht kan worden gevestigd, zie hierover de dissertatie van Tweehuysen: Tweehuysen 2016.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 821.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 821.
‘In beginsel’, want partijen kunnen de overeengekomen beheersbevoegdheid ook zodanig beperken dat een inningsbevoegdheid hiervan geen deel uitmaakt. Het is daarom steeds afhankelijk van de gemaakte afspraken of de hypotheekhouder die bevoegdheid wel of niet heeft.
Zie Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 383, met betrekking tot de derdenwerking van in de akte opgenomen hypotheekbedingen.
Zie hiervóór ook par. 6.5.1.
De beheersbevoegdheid moet in de hypotheekakte zijn opgenomen (art. 3:267 BW) en het pandrecht, ofwel openbaar via art. 3:236 BW ofwel stil via art. 3:239 BW, zijn verpand.
Zie Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 379. Het pand- en hypotheekrecht kunnen deel uitmaken van een veel omvangrijker zekerhedenpakket; ook persoonlijke borgstellingen, garanties en pandrechten op aandelen kunnen door de financier worden bedongen. De omvang van de uiteindelijke zekerheden zal mede afhangen van de onderhandelingspositie van zowel financier als hypotheekgever.
Over de inningsbevoegdheid van een Engelse hypotheekhouder bestaat geen enkele twijfel. Naar Engels recht heeft de hypotheekhouder als fictief eigenaar van het verhypothekeerde vastgoed recht op alle inkomsten die het vastgoed opbrengt. De bevoegdheid om de huurpenningen te innen is daarom niet alleen tegen de hypotheekgever, maar ook tegen derden in te roepen. Hieronder vallen bijvoorbeeld de huurders (die alleen nog bevrijdend aan de hypotheekhouder kunnen betalen), derde-verkrijgers van de huurvorderingen (zoals partijen die de huurvorderingen door cessie hebben verkregen) en de curator in een faillissement van de hypotheekgever.
De positie van de Nederlandse hypotheekhouder staat hier in de basis diametraal tegenover. Anders dan het Engelse hypotheekrecht geeft het Nederlandse hypotheekrecht naar zijn aard namelijk géén recht op de (opeisbaar geworden) huurvorderingen uit het verhypothekeerde vastgoed.1 Die inningsonbevoegdheid van de hypotheekhouder was in het Ontwerp-Meijers nog expliciet vastgelegd. De oorspronkelijke wettekst van het huidige art. 3:267 BW luidde:
‘Tenzij uitdrukkelijk anders is bedongen, mist een hypotheekhouder de bevoegdheid een zaak die het voorwerp van de hypotheek is, onder zich te houden en om de vruchten van het verhypothekeerde goed te innen.’2
Maar hoewel onbevoegdheid tot het innen van de huurpenningen van de hypotheekhouder het uitgangspunt was, heeft Meijers die bevoegdheid ook weer niet helemaal uitgesloten. In de toelichting op deze bepaling erkende hij namelijk wel de mogelijkheid dat partijen onderling een inningsbevoegdheid overeenkomen. Als praktijkvoorbeeld van zo’n afspraak noemt hij een cessie van toekomstige huurtermijnen aan de hypotheekhouder.3 In dat geval staat de inningsbevoegdheid van de hypotheekhouder vast: hij mag de huurvorderingen dan als rechthebbende innen.4 Volgens het huidige BW, waarin geen plaats meer is voor een zekerheidscessie, zou de hypotheekhouder een pandrecht op de huidige en toekomstige huurvorderingen kunnen laten vestigen.5 Zodra hij mededeling van dat pandrecht doet, is hij als pandhouder gerechtigd de huurpenningen te incasseren.6
De regel dat de Nederlandse hypotheekhouder geen recht op de huurvorderingen heeft, is door de Hoge Raad benadrukt in het arrest Van Berkel/Tribosa.7 De Hoge Raad diende zich in dit arrest uit te laten over de rechtspositie van de hypotheekhouder ten opzichte van de huurpenningen, waarop door een schuldeiser van de hypotheekgever conservatoir derdenbeslag was gelegd.8 De Hoge Raad overwoog dat:
‘(…) de hypotheek naar zijn aard slechts op het verhuurde goed zelf rust en niet op de vordering ter zake van de huurpenningen (…)’9
Via deze vaststelling kwam de Hoge Raad in deze zaak tot het uiteindelijke oordeel dat een hypotheekhouder van verhuurd vastgoed een (jonger) beslag op de huurpenningen moet respecteren.10 Dat betekende hier concreet dat het beslag op de huurvorderingen bij de executoriale verkoop van dat vastgoed door de hypotheekhouder intact bleef.11 De beslaglegger kon het gelegde beslag dus ook inroepen tegen de executiekoper van het vastgoed. Voor hypotheekhouders is deze uitkomst bijzonder nadelig, want een executiekoper zal geen inkomsten uit het vastgoed ontvangen zolang de vordering van de beslaglegger niet volledig is voldaan. De koopprijs die hij bereid is te betalen zal daarom behoorlijk naar beneden worden bijgesteld.12
Het arrest maakt vooral één ding duidelijk: een Nederlandse hypotheekhouder heeft in beginsel géén eigen goederenrechtelijke aanspraak op de huurvorderingen.13 Wil hij zo’n aanspraak wél, dan moet hij die bedingen, waarbij cessie van die vorderingen of het vestigen van een pandrecht daarop de eerste twee opties zijn om dat te realiseren.
Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 3:267 BW blijkt evenwel dat de wetgever nóg een mogelijkheid voor ogen had waarop een inningsbevoegdheid voor de hypotheekhouder in het leven kon worden geroepen: via het beheren van het vastgoed. De redactie van art. 3:267 BW, zoals hiervoor werd weergegeven, werd in het Gewijzigd Ontwerp namelijk nog herzien. Het mogen ‘innen van vruchten’ van het verhypothekeerde vastgoed uit het Ontwerp-Meijers is daarbij vervangen door het mogen ‘beheren’ van dat vastgoed. In het Gewijzigd Ontwerp kwam art. 3:267 BW er als volgt uit te zien:14
‘In de hypotheekakte kan worden bedongen dat de hypotheekhouder bevoegd is om, zo de hypotheekgever in zijn verplichtingen jegens hem tekortschiet, de zaak die het voorwerp van de hypotheek is, onder zich te nemen of het verhypothekeerde goed te beheren. Zonder uitdrukkelijk beding mist de hypotheekhouder deze bevoegdheden.’
Ter toelichting op deze tekstuele wijziging wordt in de Memorie van Antwoord het volgende opgemerkt:15
‘De bevoegdheid tot beheer sluit in de regel die tot het winnen van de vruchten in; de hypotheekhouder zal zich bovendien een pandrecht kunnen bedingen, (…) als het burgerlijke vruchten betreft, op de vordering tot inning daarvan.’
Hieruit volgt dat ook een in de hypotheekakte overeengekomen beheersbevoegdheid in beginsel voor de hypotheekhouder een bevoegdheid schept om de huurpenningen te innen.16 Mits die bevoegdheid in de hypotheekakte is opgenomen, heeft zij bovendien werking ten opzichte van derden (zie hierna par 8.4).17 Anders dan het hierboven bedoelde pandrecht op de huurvorderingen, maakt een overeengekomen beheersbevoegdheid wél deel uit van het hypotheekrecht zelf.18
Er zijn voor de hypotheekhouder kennelijk twee wegen die naar Rome leiden. Als een hypotheekhouder de huurinkomsten uit verhypothekeerd vastgoed wil innen, kan hij zowel zijn hypothecaire beheersbevoegdheid inroepen als zijn pandrecht op de huurvorderingen uitwinnen (mits aan de voorwaarden voor het inroepen van die rechten is voldaan, zie hierna par. 8.3 en 8.5). Beide moeten uiteraard wel zijn overeengekomen en op de juiste wijze zijn geformaliseerd.19 In de praktijk laten financiers in dat verband meestal niets aan het toeval over; gewoonlijk worden inderdaad beide rechten bedongen respectievelijk gevestigd.20
In het kader van inning van de huurpenningen hebben daarom ook zowel de beheersbevoegdheid als een pandrecht op de huurvorderingen een plaats gekregen in dit hoofdstuk. Gelet op het doel van dit hoofdstuk, te weten onderzoeken of de Nederlandse hypotheekhouder ter uitwinning van zijn hypotheekrecht een beheertraject kan volgen dat vergelijkbaar is met het Engelse, komt nu eerst inning via de hypothecaire beheersbevoegdheid aan bod. Wanneer mag het en wat houdt die inningsbevoegdheid nu precies in? De reden waarom de hypotheekhouder er niettemin verstandig aan doet om (in de woorden van de wetgever) ‘bovendien’ een pandrecht te bedingen, wordt besproken in par. 8.5.