NJB 2024/2161:Bepaling duur van de ontzetting van rechten, art. 31 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr: deze bepaling houdt in dat – bij veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf – de duur van de ontzetting van een recht de duur van de hoofdstraf minimaal 2 en maximaal 5 jaren te boven gaat. De rechter moet daarbij uitgaan van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf. In casu berust de vermelding in ’s hofs arrest van een termijn van 3 jaren in plaats van de in het dictum genoemde 5 jaren kennelijk op een verschrijving.