NJB 2024/2161
Bepaling duur van de ontzetting van rechten, art. 31 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr: deze bepaling houdt in dat – bij veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf – de duur van de ontzetting van een recht de duur van de hoofdstraf minimaal 2 en maximaal 5 jaren te boven gaat. De rechter moet daarbij uitgaan van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf. In casu berust de vermelding in ’s hofs arrest van een termijn van 3 jaren in plaats van de in het dictum genoemde 5 jaren kennelijk op een verschrijving.
HR 15-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1400
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15 oktober 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
22/01724
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑12‑2024
ECLI:NL:HR:2024:1400, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:1051, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑07‑2024
- Wetingang
(art. 31 Sr)
Essentie
Bepaling duur van de ontzetting van rechten, art. 31 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr: deze bepaling houdt in dat – bij veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf – de duur van de ontzetting van een recht de duur van de hoofdstraf minimaal 2 en maximaal 5 jaren te boven gaat. De rechter moet daarbij uitgaan van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf. In casu berust de vermelding in ’s hofs arrest van een termijn van 3 jaren in plaats van de in het dictum genoemde 5 jaren kennelijk op een verschrijving.
Uitspraak
Inleiding
Verdachte is veroordeeld ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.