NJB 2021/1989:Stelselmatig inwinnen bij een kwetsbare verdachte van informatie door een opsporingsambtenaar ingeval de verdachte van zijn vrijheid is beroofd, terwijl die opsporingsambtenaar zich onder een andere identiteit en dus zonder dat voor de verdachte kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, bevindt in de omgeving van de verdachte op de plaats waar deze is ingesloten: de Hoge Raad herhaalt HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9195 en voegt daaraan rechtsoverwegingen toe omtrent de positie van kwetsbare verdachten. In casu is het oordeel van het hof dat ‘niet zodanig inbreuk is gemaakt op de verklaringsvrijheid van verdachte dat in strijd is gehandeld met artikel 29 Sv en artikel 6 EVRM’ niet zonder meer begrijpelijk. Daartoe telt onder meer dat de als kwetsbaar aangemerkte verdachte bij herhaling een beroep op haar zwijgrecht heeft gedaan, dat zij tijdens een onderbreking van – en dus direct volgend op – het politieverhoor is bevraagd door een niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar, terwijl op dat moment de waarborgen ontbraken die in verband met haar kwetsbaarheid bij het politieverhoor waren getroffen (bestaande in de aanwezigheid van een advocaat, de audiovisuele registratie en het volgen van het verhoor door een recherchepsycholoog), en dat de opsporingsambtenaar opeenvolgende vragen heeft gesteld over de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde brandstichting en over de wijze waarop dat feit is begaan.