Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.4.2
18.4.2 Betekenis art. 6, lid 3, onderdeel c EVRM voor nemo tenetur
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492265:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 10.4.2.1.3.
HR 30 juni 2009, NJ 2009, 349 (m.nt. Schalken), r.o. 2.5 e.v.
Zie onder meer HR 25 januari 2011, RvdW 2011/199 en HR 27 maart 2012, RvdW2012/526.
Hierop sluit aan de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor van het OM (Stcrt. 2010, 4 003) en het voormalige concept wetsvoorstel Raadsman en politieverhoor van 15 april 2011.
EHRM 24 oktober 2013, nrs. 62880/11, 62892/11 en 62899/11 (Navone, Lafleur en Re t. Monaco).
De Richtlijn kwam aan de orde in § 10.4.2.1.3.
HR 1 april 2014, NJ 2014, 268 (m.nt. Schalken). Voor kritiek op dit arrest zie men – naast Schalken – M.L.C.C. de Bruijn-Lückers in haar noot onder het arrest in JIN 2014/97.
HR 22 december 2015, NJ 2016/52 (m.nt. Klip).
R.o. 6.3.
Consultatierecht versus bijstand tijdens verhoor
Eerder merkte ik op dat de betekenis voor deze studie van het recht op rechtsbijstand in art. 6, lid 3, onderdeel c EVRM, vooral moet worden gezocht in de bijstand van een advocaat bij verhoor of meer precies in wat deze verhoorbijstand behelst. Dan gaat het vooral om de vraag of de verdachte aanspraak kan maken op de bijstand van een advocaat tijdens verhoor.1 Evenals geldt voor de cautieplicht kan de verhoorbijstand bijdragen aan de realisatie van het zwijgrecht. Deze bijstand legt niet zelfstandig beperkingen op aan de verplichting tot medewerking aan een opsporingsonderzoek. Wel kan de advocaat erop toezien dat het zwijgrecht van de verdachte wordt gerespecteerd.
Opvatting strafkamer HR na Salduz veranderlijk; erkenning bijstand bij verhoor
Buiten twijfel is dat de minderjarige verdachte volgens het EHRM recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat tijdens het politieverhoor. De meerderjarige verdachte zou echter geen aanspraak kunnen maken op rechtsbijstand tijdens verhoor, maar enkel de gelegenheid moeten worden geboden om vóór verhoor een raadsman te raadplegen. Dit is althans de lijn die de strafkamer van de HR met haar uitspraak van 30 juni 2009, nr. S 08/02411 J, naar aanleiding van het meer genoemde arrest in de zaak Salduz heeft ingezet.2 Een verdachte die door de politie is aangehouden, kan volgens de strafkamer aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand ontlenen, die inhoudt dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor moet worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Tenzij hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, maar in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht of dwingende redenen bestaan, zal de verdachte binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden om voorafgaand aan het politieverhoor een advocaat te raadplegen. Deze uitleg van de Salduz-rechtspraak, die de raad in latere uitspraken bevestigt c.q. verfijnt3, erkent niet een recht op bijstand tijdens verhoor.4
In haar conclusie bij de uitspraak van de strafkamer van de HR van 1 april 2014, nr. 11/03714, leidt A-G Spronken uit met name de gevoegde zaken Navone, Lafleur en Re5 en ook uit de Richtlijn nr. 2013/48/EU inzake het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures6 af, dat de verdachte het recht heeft zich tijdens zijn verhoor door de politie te laten bijstaan door een raadsman.7 De strafkamer vaart een andere koers, in zoverre dat het opstellen van een algemene regeling inzake ‘verhoorbijstand’ de rechtsvormende taak van de HR te buiten gaat. Het ligt op de weg van de wetgever om de invoering van de vereiste wettelijke regeling van de ‘verhoorbijstand’ met voortvarendheid ter hand te nemen. Echter, niet kan worden uitgesloten dat het uitblijven van een wettelijke regeling op enig moment de HR wel tot rechtsvorming hierover zal brengen.
In het arrest van 22 december 2015, nr. 14/01680, scherpt de strafkamer van de HR de regels betreffende het recht op rechtsbijstand aan.8 De strafkamer overweegt dat, hoewel het EHRM nimmer uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist dat onder alle omstandigheden sprake is van een schending van de rechten die een verdachte kan ontlenen aan art. 6 EVRM ingeval de raadsman van de verdachte niet aanwezig is bij het verhoor, in het licht van de casuïstische rechtspraak van het EHRM de rechtszekerheid ermee gediend is dat de HR overgaat tot een aanscherping van de regels betreffende de rechtsbijstand die in het hiervoor genoemde arrest van 1 april 2014 zijn uiteengezet.9De verdachte heeft recht op bijstand van een raadsman tijdens zijn eerste verhoor, alsmede de daarop volgende verhoren door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken. De strafkamer gaat ervan uit dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing aan deze regel zal worden gegeven. De verdachte moet vóór de aanvang van het verhoor worden gewezen op zijn recht op rechtsbijstand. Hij kan uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, maar in elk geval ondubbelzinnig afstand doen van dat recht.