Rb. Zeeland-West-Brabant, 10-09-2021, nr. BRE 20/6081, nr. BRE 20/6082, nr. BRE 20/6083, nr. BRE 20/6084, nr. BRE 20/6085, nr. BRE 20/6086, nr. BRE 20/6087
ECLI:NL:RBZWB:2021:4555, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
10-09-2021
- Zaaknummer
BRE 20/6081
BRE 20/6082
BRE 20/6083
BRE 20/6084
BRE 20/6085
BRE 20/6086
BRE 20/6087
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2021:4555, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10‑09‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBZWB:2021:2836
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2023:1034, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:RBZWB:2021:2836, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04‑06‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBZWB:2021:4555
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2021091706
FutD 2021-2990
NTFR 2021/2735 met annotatie van mr. M.H. Hogendoorn
Viditax (FutD) 2021062916
FutD 2021-2101
Uitspraak 10‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 20/6081 tot en met BRE 20/6087
uitspraak van 10 september 2021
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende]., gevestigd te Luxemburg,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de inspecteur van 27 maart 2020 op de bezwaren van belanghebbende tegen:
- de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 ([aanslagnummer]) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikking heffingsrente voor een bedrag van € 144;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 ([aanslagnummer]) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikking belastingrente voor een bedrag van € 37;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 ([aanslagnummer]) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikking belastingrente voor een bedrag van € 380;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 ([aanslagnummer]) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikkingen verzuimboete voor een bedrag van € 2.639 en belastingrente voor een bedrag van € 140;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 ([aanslagnummer]) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikkingen verzuimboete voor een bedrag van € 2.639 en belastingrente voor een bedrag van € 106;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 21.300 ([aanslagnummer]) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikkingen verzuimboete voor een bedrag van € 2.639 en belastingrente voor een bedrag van € 255;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 21.300 ([aanslagnummer]) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikkingen verzuimboete voor een bedrag van € 2.639 en belastingrente voor een bedrag van € 248,
hierna gezamenlijk: de aanslagen.
Tussenuitspraak en vervolg
De rechtbank heeft op 4 juni 2021 een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan in deze zaken. Na een stukkenwisseling is een nadere zitting met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid van de Awb achterwege gebleven.
1. Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep met betrekking tot de aanslag vennootschapsbelasting 2017 en de bijbehorende beschikking belastingrente gegrond;
- -
vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2017 en de bijbehorende beschikking belastingrente;
- -
draagt de inspecteur op met inachtneming van deze beslissing een nieuw besluit te nemen;
- -
verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- -
vermindert de verzuimboetes naar verzuimboetes van € 2.375 per jaar;
- -
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 2.026;
- -
gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 354 aan haar terugbetaalt.
2. Gronden
2.1.
De rechtbank verwijst voor het relevante procesverloop en de nodige feiten en omstandigheden naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.12 naar de tussenuitspraak van 4 juni 20211..
2.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank beslist dat enkele zaakstukken niet zijn overgelegd en is de inspecteur in de gelegenheid gesteld om deze stukken in het geding te brengen. De inspecteur heeft hierop gereageerd met de bij hem aanwezige informatie ten aanzien van de betreffende stukken. Belanghebbende heeft naar aanleiding van de overgelegde stukken geen inhoudelijke reactie gegeven. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur thans aan zijn verplichting op grond van artikel 8:42 van de Awb heeft voldaan.
2.3.
De rechtbank heeft bij brief van 1 september 2021 het onderzoek gesloten. Op 2 september 2021 heeft de rechtbank een fax van de gemachtigde van belanghebbende ontvangen. De rechtbank heeft, gelet op de inhoud van dat stuk, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Het stuk is dus buiten beschouwing gelaten.
2.4.
In geschil zijn dan nog de antwoorden op de volgende vragen:
- 1.
Heeft de inspecteur de bezwaren tegen de aanslagen vennootschapsbelasting terecht niet-ontvankelijk verklaard?
- 2.
Zijn de verzuimboetes terecht en tot een juist bedrag opgelegd.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend.
Ontvankelijkheid bezwaren tegen de aanslagen
2.5.
De kern van het betoog van belanghebbende is dat de inspecteur de aanslagen niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt omdat niet het juiste adres is gehanteerd. Daardoor is volgens belanghebbende de bezwaartermijn pas gaan lopen op 28 mei 2019, de dag waarop de gemachtigde van belanghebbende van de inspecteur afschriften van de aanslagen heeft ontvangen. De rechtbank verwerpt dit betoog voor zover het de aanslagen 2011 tot en met 2016 betreft. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een zending die de belastingplichtige niet heeft bereikt ten gevolge van een verkeerde adressering die aan de inspecteur verweten kan worden2.. Belanghebbende kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat uit informatie van de Luxemburgse Kamer van Koophandel volgt dat belanghebbende niet langer is gevestigd op het daar vermelde adres. De tekst die op het uittreksel van de Luxemburgse Kamer van Koophandel staat vermeld, ondersteunt dat niet. Slechts kan daaruit worden afgeleid dat een domiciliëringsovereenkomst niet langer geldig is. Daaruit volgt echter niet dat belanghebbende daar niet meer is gevestigd dan wel dat sprake is van een adreswijziging, temeer nu het – door de inspecteur gehanteerde – adres ook nog steeds vermeld staat onder het kopje ‘Sitz der Gesellschaft’. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de mutatie in het BVR-systeem van 4 oktober 2014 ook niet dat het adres van belanghebbende op die datum als vervallen is aangemerkt. De rechtbank acht de verklaring van de inspecteur, gelet op het feit dat deze mutatie waarbij het adres onder de ene registratiecode werd afgevoerd maar op dezelfde dag onder een andere code is opgevoerd, geloofwaardig dat deze mutatie slechts een administratieve herstelhandeling vanwege het gebruik van de verkeerde registratiecode betrof. De inspecteur heeft derhalve het juiste adres gehanteerd.
Het argument van belanghebbende dat de inspecteur de post aan het adres van de Nederlandse onroerende zaak van belanghebbende had moeten richten, slaagt niet. Aangezien er voor de inspecteur geen aanleiding was te veronderstellen dat het bij hem geregistreerde vestigingsadres in Luxemburg niet het juiste adres was gelet op het feit dat geen adreswijziging is doorgegeven en dit adres ook bij Luxemburgse Kamer van Koophandel stond geregistreerd, bestond geen reden om bekendmaking op een andere wijze te laten geschieden dan door toezending naar het bij de inspecteur bekende adres van belanghebbende dat daarmee overeenkwam.
De bezwaartermijnen zijn dus gaan lopen de dag na de dagtekening van de aanslagen. Gelet op de datum van de bezwaren is te laat bezwaar gemaakt voor de aanslagen 2011 tot en met 2016. De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het betoog van belanghebbende dat zij wijzigingen aan de – naar de rechtbank begrijpt Luxemburgse – Kamer van Koophandel heeft doorgegeven van het juiste adres, volgt nergens uit en is niet aannemelijk gelet op het op het uittreksel van de Luxemburgse Kamer van Koophandel vermelde adres. Wat volgens belanghebbende het juiste adres moet zijn, is ook niet gesteld. Al wat belanghebbende verder nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De bezwaren met betrekking tot de jaren 2011 tot en met 2016 zijn dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.6.
Slechts ten aanzien van de aanslag vennootschapsbelasting 2017 is dit anders, aangezien deze op 9 februari 2019 is opgelegd en naar het oordeel van de rechtbank de brief van 25 februari 2019, ingekomen op 1 maart 2019 (de brief van 1 maart 2019), als een bezwaar tegen de opgelegde aanslag kan worden opgevat. Immers valt uit die brief af te leiden dat belanghebbende het niet eens is met aan haar opgelegde aanslagen, waarbij ook de aanslag 2017 staat genoemd. Daar doet niet aan af dat die brief is gestuurd om de opgelegde aanslagen op te vragen. Het bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2017 is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre is het beroep dan ook gegrond verklaard en is om die reden de zaak dan ook terugverwezen naar de inspecteur voor inhoudelijke behandeling. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de aanslag te hoog is vastgesteld.
De verzuimboetes
2.7.
Ten aanzien van de verzuimboetes is niet in geschil dat de daartegen gemaakte bezwaren ontvankelijk zijn. De rechtbank zal derhalve beoordelen of de boetes terecht zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Voor oplegging van de verzuimboete van artikel 67a AWR is geen plaats indien de uitnodiging en aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden.
2.8.
Gelet op dat wat in 2.5 is overwogen in combinatie met de onbetwiste verzendrapporten van de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat de uitnodigingen, aanmaningen en boetes voor de jaren 2014 tot en met 2017 zijn verzonden op het juiste adres. De rechtbank gaat er ook vanuit dat de uitnodigingen, aanmaningen en boetes op het juiste adres zijn ontvangen. Het betoog van belanghebbende dat zij geen bestuurders en/of aandeelhouders had in de periode dat dit is gebeurd, brengt niet mee dat de post niet op haar adres is ontvangen. Dit impliceert slechts dat – door omstandigheden die in de risicosfeer van belanghebbende liggen – de post niet is opengemaakt dan wel gelezen. Vast staat daarmee dat belanghebbende niet binnen de in de aanmaningen gestelde termijnen aangifte heeft gedaan. Afwezigheid van alle schuld is in dat verband niet gesteld of gebleken. De rechtbank verwerpt verder het betoog van belanghebbende dat door een medewerker van de afdeling invordering van de Belastingdienst in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de aangifte later mocht worden gedaan. Belanghebbende miskent daarmee dat op dat moment het verzuim reeds was begaan en de boetes waren opgelegd. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat vertrouwen is gewekt dat de verzuimboetes zouden worden vernietigd indien alsnog aangiftes zouden worden ingediend, valt dat niet op te maken uit de betreffende correspondentie.
2.9.
De rechtbank is verder van oordeel dat de boetes passend en geboden zijn. Gelet op dat wat in deze uitspraak is overwogen heeft belanghebbende niet tijdig aangifte gedaan gedurende een reeks van jaren, en is dus sprake van stelselmatig verzuim. De stelling van belanghebbende dat sprake is van een kleine vennootschap zonder liquide middelen is niet nader onderbouwd met objectieve gegevens. Daarin ziet de rechtbank dus geen aanleiding voor matiging.
2.10.
Wel is er aanleiding voor een ambtshalve vermindering van de boetes gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De rechtbank bepaalt daarbij de startdatum voor de bepaling van de redelijke termijn op de datum waarop belanghebbende is opgekomen tegen de boetes, gelet op het substantiële tijdsverloop tussen de bekendmaking daarvan en het moment dat belanghebbende daartegen is opgekomen. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat de brief van 1 maart 2019 als bezwaar kan worden beschouwd, bedraagt de vermindering van de boetes 10%.3.De boetes zijn dus verminderd naar € 2.375.
Slotsom
2.11.
Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag vennootschapsbelasting 2017 is gegrond verklaard. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond verklaard. De ambtshalve vermindering van de overige boetes leidt niet tot gegronde beroepen.
Proceskosten
2.12.
Aangezien sprake is van een gegrond beroep, ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De rechtbank acht daarbij aannemelijk dat de gemachtigde in dit verband beroepsmatige bijstand heeft verleend, aangezien onbetwist is gesteld dat hij slechts beperkt gevolmachtigd bestuurder is van belanghebbende en tevens gelet op de overgelegde factuur die door gemachtigde aan belanghebbende is gericht. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding in totaal vast op € 2.0264.. Tevens dient de inspecteur in de zaken van het gegronde beroep het griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van drs. L. Mattijssen, griffier, op 10 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑09‑2021
Vgl. Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5064 en Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NLR:2014:930
Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht: 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij het hoorgesprek met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748, waarbij voor zowel bezwaar als beroep wordt uitgegaan van wegingsfactor 1.
Uitspraak 04‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 20/6081 tot en met BRE 20/6087
uitspraak van 4 juni 2021
Tussenuitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de inspecteur van 27 maart 2020 op de bezwaren van belanghebbende tegen:
- de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 (aanslagnummer [1] .V.16.0112) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikking heffingsrente voor een bedrag van € 144;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 (aanslagnummer [1] .V.26.0112) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikking belastingrente voor een bedrag van € 37;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 (aanslagnummer [1] .V.36.0112) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikking belastingrente voor een bedrag van € 380;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 (aanslagnummer [1] .V.46.0112) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikkingen verzuimboete voor een bedrag van € 2.639 en belastingrente voor een bedrag van € 140;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 15.000 (aanslagnummer [1] .V.56.0112) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikkingen verzuimboete voor een bedrag van € 2.639 en belastingrente voor een bedrag van € 106;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 21.300 (aanslagnummer [1] .V.66.0112) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikkingen verzuimboete voor een bedrag van € 2.639 en belastingrente voor een bedrag van € 255;
- de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 21.300 (aanslagnummer [1] .V.76.0112) en de in hetzelfde geschrift vervatte beschikkingen verzuimboete voor een bedrag van € 2.639 en belastingrente voor een bedrag van € 248,
hierna gezamenlijk: de aanslagen.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, mr. drs. A.C.M. Brom MA LLM , verbonden aan Brom Fiscaal & Juridisch Adviesbureau te [plaats 2] , en via een beeldverbinding de inspecteur, namens wie mr. [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2] aanwezig waren.
1. Beslissing
De rechtbank:
- -
beslist als hierna overwogen onder 2.22;
- -
houdt iedere verdere beslissing aan.
2. Gronden
2.1.
Belanghebbende is sinds 2003 eigenaar van een in Nederland gelegen pand aan de [adres 1] te [plaats 2] (hierna: het pand).
2.2.
Belanghebbende heeft zich niet bij de Belastingdienst gemeld. In 2011 heeft de inspecteur geconstateerd dat belanghebbende mogelijk belastingplichtig is in Nederland. De inspecteur heeft belanghebbende opgevoerd als belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting met als vestigingsadres: 17 Rue Michel Rodange 5th floor, L-2430 [plaats] , [plaats] (hierna: het adres in [plaats] ). Tevens heeft hij, ambtshalve, aanslagen vennootschapsbelasting 2008 tot en met 2010 opgelegd.
2.3.
Bij de inspecteur heeft zich namens belanghebbende de (toenmalig) gemachtigde gemeld. Die gemachtigde heeft de inspecteur verzocht een verplicht toezendadres te hanteren: [adres 2] , [adres 2] , te [plaats 3] (hierna: het toezendadres). De inspecteur heeft het toezendadres opgevoerd en de aanslagen 2008 tot en met 2010, naar aanleiding van het namens belanghebbende door de toenmalig gemachtigde ingediende bezwaar, vernietigd.
2.4.
Uit een door belanghebbende overgelegde uitdraai uit het register van ‘Registre de Commerce et des Sociétés’ (Luxemburgse Kamer van Koophandel) staat – voor zover relevant – het volgende vermeld:
“(..)
Sitz der Gesellschaft
Die Domizilierungsstelle [domicilieadres] zeigt an, dass der Domizilierungsvertrag ausgelaufen ist. Die Auswirkungen des Übereinkommens und die daraus entstehenden Verpflichtungen enden ab dem Datum der Hinterlegung der Aufkündigung beim Handels- und Firmenregister, namlich am 01/03/2013.
[domicilieadres]
(..)”
2.5.
Bij brief van 8 juli 2013 heeft de toenmalig gemachtigde de inspecteur geïnformeerd dat belanghebbende geen klant meer is. Daardoor is het toezendadres komen te vervallen.
2.6.
Met dagtekening 27 augustus 2013 heeft de inspecteur belanghebbende een brief gezonden op het adres in [plaats] . In deze brief is, onder andere, het volgende vermeld:
“(..)In mijn brief van 8 juli 2013 heb ik u gewezen op de aangifteplicht voor de vennootschapsbelasting in Nederland en uw verzocht om uiterlijk 8 augustus 2013 te reageren of alsnog aangifte te doen. Tot op heden heb ik helaas niets mogen ontvangen.
Ondertussen is ook de aangiftetermijn voor de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2012 verlopen. Helaas hebben wij deze aangifte ook niet mogen ontvangen.
Ik wil u voor beide jaren nog een laatste keer in de gelegenheid te stellen om een juiste aangifte vennootschapsbelasting in te leveren. Mocht ik uiterlijk 28 september 2013 géén aangifte of een andere reactie van u ontvangen hebben dan stel ik de aanslag vennootschapsbelasting 2011 en 2012 ambtshalve vast op € 15.000. Omdat uit mijn gegevens blijkt dat de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte aan uw vorige adviseur is gestuurd, zal ik géén verzuimboete wegens het niet doen van aangifte opleggen.
Zoals al in mijn brief van 8 juli 2013 aangegeven kan de invordering van de openstaande
belastingschulden leiden tot beslaglegging op het in Nederland gelegen pand.”
2.7.
De inspecteur heeft vanaf 2013 de onderhavige aanslagen opgelegd, waarbij op de aanslagbiljetten het adres in [plaats] vermeld staat. De aanslagen bleven onbetaald. Op 19 september 2018 heeft de ontvanger executoriaal beslag gelegd op het pand.
2.8.
Bij brief van 25 februari 2019 heeft de gemachtigde van belanghebbende de inspecteur het volgende geschreven:
“(..)
Mijn cliënt [belanghebbende] heeft onlangs via derden vernomen dat u aanslagen vennootschapsbelasting jegens haar opgelegd zou hebben, waarbij mijn cliënt verplicht zou zijn om vennootschapsbelasting af te dragen. Mijn cliënt heeft echter nooit van u enige aanslag vennootschapsbelasting in deze mogen ontvangen dan wel een uitnodiging tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting dan wel enige andere correspondentie aangaande.
Hierbij verzoek ik u een afschrift van de door u opgelegde (voorlopige) aanslagen
vennootschapsbelasting vanaf de kalenderjaren 2008 tot en met 2017 te doen toekomen aan mijn cliënt. Mijn cliënt heeft gedurende deze jaren nooit winst gemaakt en kan reeds om deze reden geen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn.
U kunt deze aanslagen sturen naar het volgende tijdelijke postadres in Nederland:
[belanghebbende]
T.a.v. de directie
[adres 1]
[plaats 2]
(..)”
2.9.
Bij e-mail van 24 mei 2019 wordt belanghebbende door een notariskantoor op de hoogte gesteld van de opdracht van de belastingdienst om het pand in het openbaar te verkopen. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende contact gehad met de notaris en de ontvanger. De ontvanger en belanghebbende spreken af dat de ontvanger duplicaten van de aanslagen aan belanghebbende zal toezenden, de openbare verkoop wordt uitgesteld tot 31 juli 2019 en dat belanghebbende voor 31 juli 2019 bezwaarschriften zal indienen en deze in kopie aan de ontvanger zal verstrekken.
2.10.
Met dagtekening 30 juni 2019, door de inspecteur ontvangen op 3 juli 2019, heeft belanghebbende de inspecteur een brief gezonden waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de aanslagen over 2011 tot en met 2017 en de opgelegde verzuimboeten over 2014 tot en met 2017. Op 11 december 2019 heeft belanghebbende gebruik gemaakt van haar inzagerecht en is belanghebbende gehoord. Voorafgaand aan de inzage en het hoorgesprek heeft belanghebbende aangiften vennootschapsbelasting 2011 tot en met 2018 afgegeven aan de receptie van de belastingdienst naar een belastbare winst van nihil.
2.11.
Met dagtekening 27 maart 2020 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende wegens het overschrijden van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze zien op de heffing van vennootschapsbelasting en de bezwaren in zoverre in aanmerking genomen als verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen. Voor de aanslag over 2014 heeft de inspecteur alsnog een verrekenbaar verlies toegestaan en deze aanslag daarmee verminderd. Voor het overige heeft de inspecteur de verzoeken afgewezen. De bezwaren tegen de beschikkingen verzuimboete heeft de inspecteur ongegrond verklaard. Belanghebbende is hier tegen in beroep gekomen.
2.12.
In beroep zijn de volgende vragen in geschil:
1. Heeft de inspecteur in beroep alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
2. Heeft de inspecteur de bezwaren tegen de aanslagen vennootschapsbelasting terecht niet-ontvankelijk verklaard?
3. Zijn de verzuimboetes terecht en tot een juist bedrag opgelegd?
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
2.13.
Ingevolge artikel 8:42 van de Awb dient de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te verstrekken.
2.14.
In het kader van de uitleg van wat op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, is in het kader van artikel 8:42 van de Awb jurisprudentie gewezen. De rechtbank vat deze vaste jurisprudentie als volgt samen.
Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak1.. De in artikel 8:42 van de Awb opgenomen verplichting tot overlegging van stukken strekt zich ook uit tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen2.. De beoordeling of de inhoud van het betreffende stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud. Dit neemt niet weg dat de rechter onder omstandigheden ook zonder kennisneming van het desbetreffende stuk kan beslissen dat dit stuk niet van enig belang voor de besluitvorming kan zijn (geweest)3..
2.15.
Belanghebbende heeft eerst ter zitting gesteld dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Volgens haar heeft de inspecteur ten onrechte de volgende stukken niet overgelegd:
1. De aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2008 tot en met 2010 en de daarbij behorende correspondentie.
2. De registratie van de adresgegevens van belanghebbende in het BvR-registratieoverzicht van de belastingdienst.
3. Briefcorrespondentie van 8 juli 2013 en 27 augustus 2013.
2.16.
De inspecteur heeft aangevoerd dat de stelling van belanghebbende tardief moet worden verklaard. De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. De verplichting van artikel 8:42 van de Awb is een wettelijke verplichting waar de inspecteur aan moet voldoen. Niet gesteld kan worden dat de inspecteur onredelijk in zijn procespositie wordt bemoeilijkt gelet op de omstandigheid dat de inspecteur nog stukken kan overleggen indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit baat juist de procesorde omdat het niet ter beschikking hebben van de zaakstukken het nemen van een beslissing op basis van alle relevante informatie belemmert. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat het verzoek om de zaakstukken ook in een latere fase van het geding naar voren kan komen, de rechter moet toezien op de naleving van artikel 8:42 van de Awb4., en het hier deels een ontvankelijkheidskwestie betreft waar de rechter ambtshalve onderzoek naar dient te doen. Het late verzoek om overlegging van zaakstukken weegt in dit geval dan ook zwaarder dan het procesbelang van de inspecteur.
2.17.
De rechtbank zal hierna per onderdeel ingaan op de vraag of sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken. De gevolgen van het eventueel in de beroepsfase niet verstrekken van op de zaak betrekking hebbende stukken komt daarna aan de orde.
Ambtshalve aanslagen 2008 - 2010
2.18.
Belanghebbende stelt dat de ambtshalve aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2008 tot en met 2010 en de daarbij horende correspondentie op de zaak betrekking hebben en ten onrechte niet zijn overgelegd. Ze voert als onderbouwing aan dat die aanslagen in bezwaar zijn vernietigd omdat belanghebbende over deze jaren telkens verlies had geleden. Deze gegevens zijn volgens haar relevant aangezien artikel 2, zesde lid van de Uitvoeringsregeling van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat belanghebbende geen aangifte vennootschapsbelasting hoeft te doen als ze niet is uitgenodigd om aangifte te doen en geen winst maakt.
2.19.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ambtshalve aanslagen over de jaren 2008 tot en met 2010 en daarbij horende correspondentie geen op de zaak betrekking hebbende stukken nu deze niet relevant zijn voor de aan de rechtbank voorliggende geschilpunten. Het geschil betreft namelijk in wezen de vraag of verschillende brieven dan wel besluiten van de inspecteur op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Niet in geschil is dus de vraag of belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte. Daarmee is dat geen aanleiding om de ambtshalve aanslagen 2008 tot en met 2010 en de daarbij horende correspondentie tot de zaakstukken te rekenen.
Voor zover belangehebbende stelt dat de ambtshalve aanslagen relevant zijn voor het bepalen van de hoogte van de materiële belastingschuld, is dat ook niet voldoende om de informatie als zaakstukken aan te merken. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de bezwaren van belanghebbende tijdig zijn ingediend en of terecht en naar een juist bedrag verzuimboetes zijn opgelegd. In de procedure over de ontvankelijkheid van de bezwaren komt de materiële belastingschuld in beginsel niet aan de orde nu de hoofdregel is dat een onterechte niet-ontvankelijkheidsverklaring leidt tot terugwijzing voor behandeling in bezwaar en de inspecteur daar ter zitting ook om heeft verzocht mocht die situatie zich voordoen. Verder is ten aanzien van de verzuimboetes sprake van verzuimboetes naar een vast bedrag waarvoor de hoogte van de materiële belastingschuld niet als boetegrondslag geldt en dat bedrag dus niet relevant is.
BvR-registratie
2.20.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur reeds naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank daartoe in het vooronderzoek een uitdraai uit het BvR registratiesysteem heeft overgelegd. Dat belanghebbende tijdens de inzage een andere weergave (een screenshot in plaats van de door de inspecteur overgelegde uitdraai) van de BvR registratie heeft ingezien en die weergave in beroep heeft overgelegd maakt niet dat de inspecteur dit op de zaak betrekking hebbend stuk niet heeft overgelegd.
Briefcorrespondentie
2.21.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur ten onrechte enkele brieven niet heeft overgelegd. Het betreffen de brieven van de inspecteur van 8 juli 2013 en 27 augustus 2013 alsmede de brief van de toenmalige gemachtigde van 8 juli 2013 (zie 2.5 en 2.6).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende voldoende gemotiveerd dat de stukken op deze zaak betrekking hebben. Uit de brieven zou mogelijk kunnen volgen dat de toenmalige gemachtigde in zijn brief van 8 juli 2013 een adreswijziging van belanghebbende heeft opgenomen. Dergelijke informatie kan van belang zijn bij de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het antwoord op de vraag of post aan het juiste adres is gericht. De inspecteur heeft deze stukken ten onrechte niet overgelegd.
Conclusie
2.22.
Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur niet voldaan aan de op hem rustende verplichting alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. De rechtbank heropent het onderzoek en stelt de inspecteur in de gelegenheid om binnen drie weken na verzending van deze tussenuitspraak de op de zaak betrekking hebbende stukken (zie 2.21), in geding te brengen. Vervolgens zal de rechtbank deze stukken aan belanghebbende doorsturen. De rechtbank stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen twee weken na het doorsturen van de stukken door de rechtbank haar beroepschrift nader te motiveren en aan te geven of zij een nadere zitting wenst. De rechtbank zal deze nadere motivering doorsturen aan de inspecteur. De rechtbank stelt de inspecteur in de gelegenheid om binnen twee weken na het doorzenden van de nadere motivering te reageren en aan te geven of hij een nadere zitting voorstaat. Aan de behandeling van de overige geschilpunten komt de rechtbank nog niet toe.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van drs. L. Mattijssen, griffier, op 4 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑06‑2021
Zie onder meer Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874
Zie Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672
Zie Hoge Raad 15 november 2013, ECLI:NL: HR:2013:1129