Hof Den Haag, 22-01-2020, nr. 200.239.703/01 en 200.239.704/01
ECLI:NL:GHDHA:2020:62
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
22-01-2020
- Zaaknummer
200.239.703/01 en 200.239.704/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2020:62, Uitspraak, Hof Den Haag, 22‑01‑2020; (Hoger beroep, Rekestprocedure)
ECLI:NL:GHDHA:2019:286, Uitspraak, Hof Den Haag, 16‑01‑2019; (Hoger beroep, Rekestprocedure)
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Huwelijk nietig? Eerste huwelijksdomicilie. Nauwste verbondenheid voor de beantwoording van de vraag welk recht het huwelijksvermogensregime beheerst.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummers : 200.239.703/01 en 200.239.704/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 17-2389
Zaaknummer rechtbank : C/10/5223288
Beschikking van de meervoudige kamer van 22 januari 2020
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge,
tegen
[geïntimeerde] ,
woonplaats kiezende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. G.J.J. van Dam-Lolkema te Rotterdam.
1. Het verdere geding in hoger beroep
1.1.
Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 16 januari 2019. In deze beschikking heeft het hof het Internationaal Juridisch Instituut (hierna te noemen: IJI) benoemd tot deskundige teneinde onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen aan de hand van de in rechtsoverwegingen 9 en 10 van die tussenbeschikking geformuleerde vragen.
Het hof heeft voorts bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste van ’s Rijks kas zullen komen.
Tot slot heeft het hof bepaald dat partijen na ontvangst van de resultaten van het deskundigenonderzoek in de gelegenheid zullen worden gesteld om zich schriftelijk uit te laten over de resultaten van het onderzoek.
De behandeling van de zaak is aangehouden tot zaterdag 25 mei 2019.
1.2.
Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 januari 2019, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 31 januari 2019, ingekomen op diezelfde datum;
- een brief van het IJI van 16 augustus 2019 met als bijlage het concept-deskundigenrapport, ingekomen op 16 augustus 2019;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 19 september 2019, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 september 2019 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een brief van het IJI van 10 oktober 2019 met als bijlage het definitieve deskundigenrapport van 10 oktober 2019;
- een brief van de zijde van de vrouw van 28 oktober 2019, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 4 november 2019, ingekomen op diezelfde datum.
1.3.
Bij brieven van 28 oktober 2019 en 4 november 2019 hebben de vrouw respectievelijk de man, ieder afzonderlijk, desgevraagd door het hof, verzocht een beschikking te geven op basis van de in het dossier aanwezige processtukken.
2. De verdere motivering van de beslissing
2.1.
Bij voormelde brief van 29 januari 2019 heeft de vrouw verzocht om de in voormelde tussenbeschikking van het hof opgenomen vragen verder uit te breiden met de door haar geformuleerde vragen. De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het hof heeft partijen bij e-mail van 7 maart 2019 bericht dat de onderzoeksvragen niet worden uitgebreid.
2.2.
Bij de tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat het verzoek van de vrouw tot nietigverklaring van het huwelijk tussen partijen moet worden beoordeeld naar Zambiaans recht, zijnde het recht van de staat waar het huwelijk is voltrokken.
Nietigverklaring van het huwelijk
2.3.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of het huwelijk tussen de man en de vrouw rechtsgeldig tot stand is gekomen. De vrouw stelt hiertoe, kort samengevat, dat het huwelijk van partijen nietig is, nu niet is voldaan aan de in Zambia gestelde voorwaarden voor het aangaan van het huwelijk. De man heeft de stellingen van de vrouw betwist.
2.4.
Artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) bepaalt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk als zodanig wordt erkend als dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden. Voor de vraag of het huwelijk tussen de man en de vrouw in Nederland kan worden erkend, is mitsdien van belang of dit huwelijk naar Zambiaans recht rechtsgeldig tot stand is gekomen of nadien rechtsgeldig is geworden. Artikel 10:31 lid 4 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
2.5.
Het hof stelt voorop dat door partijen in eerste aanleg een afschrift van de huwelijksakte (Certificate of Marriage) van de republiek Zambia is overgelegd. In deze akte met [nummer] , afgegeven door de burgerlijke stand van [plaats] , Zambia, staat vermeld dat [in] 2013, in het bijzijn van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , het huwelijk tussen [de man] en [de vrouw] is voltrokken. De stempel op de akte vermeldt dat het huwelijk op diezelfde dag is geregistreerd in het huwelijksregister van [plaats] , Zambia. De akte is ondertekend door [naam] (minister of registrar), partijen en de getuigen.
2.6.
In navolging van het IJI is het hof eveneens van oordeel dat er sprake is van een huwelijk dat naar Zambiaans recht moet worden aangemerkt als een wettig huwelijk. Dit wordt bevestigd door de tekst op de huwelijksakte, te weten “Certificate of Marriage. Under the provisions of the Marriage Act”.
2.7.
In de Marriage Act worden de formaliteiten/vereisten met betrekking tot de huwelijksvoltrekking omschreven. Uit het door het IJI verrichtte onderzoek blijkt dat het wezenlijke element van het huwelijk de (vrijwillige) instemming is van de aanstaande echtgenoten om met elkaar in het huwelijk te treden. Het niet-naleven van de op formaliteiten gerichte bepalingen van de Marriage Act tast de geldigheid van het huwelijk niet aan, tenzij de Marriage Act anders bepaalt. Dit betekent naar het oordeel van het hof – nu de Marriage Act niet anders bepaalt - dat de door de vrouw gestelde gebreken geen invloed hebben op de rechtsgeldigheid van het huwelijk, nu niet in geschil is dat partijen destijds vrijwillig hebben ingestemd om met elkaar in het huwelijk te treden. Dat de akte mogelijk niet door alle getuigen is ondertekend, dan wel dat partijen mogelijk niet zouden hebben voldaan aan het vereiste dat zij voorafgaand aan de huwelijkssluiting vijftien dagen in [plaats] moeten hebben verbleven, doet daar niets aan af. Ook de vraag of het huwelijk al dan niet is geregistreerd doet niet ter zake, nu de Zambiaanse wetgeving dit niet als een constitutief vereiste stelt.
2.8.
Voor zover de vrouw heeft gesteld dat onduidelijk is wat de identiteit van de man is, overweegt het hof, in navolging van het IJI, dat dit slechts tot nietigheid van het huwelijk leidt indien het huwelijk door één van partijen is aangegaan met een geheel andere persoon dan degene met wie zij dacht (en de intentie had) in het huwelijk te treden. Uit het procesdossier blijkt dat de naam van de man steeds dezelfde is, doch dat er sprake is van twee verschillende geboortedata, en dan met name een verschil in het geboortejaar van de man. Daarbij komt dat de voor de verkrijging van de verblijfsvergunning van de man in Nederland gebruik is gemaakt van deze huwelijksakte, de vrouw de procedure tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning zelf aanhangig heeft gemaakt en zij voorafgaand aan het huwelijk op de hoogte was van het feit dat de man beschikte over meerdere identiteitspapieren die niet met elkaar overeen kwamen. Verder waren de huwelijksakte en het identiteitsbewijs voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst geen reden om geen verblijfsvergunning aan de man te verstrekken. Naar het oordeel van het hof is het voorgaande, gelet op de door het IJI verstrekte informatie, onvoldoende om te komen tot een nietig huwelijk naar Zambiaans recht.
2.9.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het huwelijk naar Zambiaans recht een rechtsgeldig huwelijk is, en derhalve in Nederland voor erkenning in aanmerking komt. Daarbij komt dat het hof niet is gebleken dat andere omstandigheden aan erkenning van het huwelijk in de weg zouden kunnen staan. Dit brengt met zich dat het hoger beroep van de vrouw voor zover dit strekt tot nietigverklaring van het huwelijk wordt afgewezen.
Toepasselijk recht op het huwelijksvermogensregime
2.10.
De vrouw heeft vervolgens in hoger beroep gegriefd tegen het door de rechtbank bepaalde toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime van partijen. Zij stelt dat partijen voor de huwelijkssluiting een rechtskeuze hebben uitgebracht op grond waarvan hun huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van de republiek Zambia. Vervolgens heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat Nederland niet kan worden aangewezen als de staat van de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van partijen, nu zij zich niet binnen zes maanden na het voltrekken van het huwelijk in Nederland hebben gevestigd. Tot slot stelt de vrouw dat Nederland niet het land is waarmee partijen het nauwst zijn verbonden, nu zij niet direct na de huwelijkssluiting is teruggekeerd naar Nederland, partijen in Zambia grond hebben gekocht voor de bouw van een huis en de man in Zambia werk had en een voetbalschool.
2.11.
De man betwist de stelling van de vrouw en stelt dat de verwijzing naar de Marriage Act niet kan worden aangemerkt als een rechtskeuze. Daarbij komt dat niet is voldaan aan de minimumvereiste voor het doen van een rechtskeuze. De man stelt zich vervolgens op het standpunt dat in deze specifieke situatie moet worden afgeweken van de termijn van zes maanden, nu het langer heeft geduurd voordat de man naar Nederland kon komen in verband met het verkrijgen van eerst een toeristenvisum en daarna een machtiging voorlopig verblijf. Ten aanzien van het land waarmee partijen het nauwst verbonden zijn voert de man aan dat de vrouw direct terug is gegaan naar Nederland, de grond in Zambia na de huwelijkssluiting is gekocht, hij redelijk Nederlands spreekt en hij deel uitmaakt van de dorpsraad in [woonplaats vrouw] .
2.12.
Het hof stelt het volgende voorop. Het huwelijk van partijen is gesloten voor 29 januari 2019 – derhalve vóór de inwerkingtreding van de Europese verordening Huwelijksvermogensrecht – zodat volgens het Nederlandse internationaal privaatrecht het toepasselijke recht op het huwelijksgoederenregime van partijen wordt bepaald door het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130.
Dit verdrag, dat in werking is getreden op 1 september 1992, geldt voor echtgenoten die na 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden dan wel na deze datum het toepasselijke recht op hun huwelijksvermogensregime hebben aangewezen.
2.13.
Ingevolge artikel 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 wordt het huwelijksvermogensregime in beginsel beheerst door het interne recht dat de echtgenoten voorafgaand aan of uiterlijk ten tijde van de huwelijkssluiting hebben aangewezen. Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde huwelijksakte niet blijkt dat partijen voorafgaand aan of tijdens de huwelijkssluiting een geldige rechtskeuze hebben gemaakt. De enkele verwijzing in de huwelijksakte naar de Marriage Act is hiertoe onvoldoende. Temeer nu de Marriage Act enkel betrekking heeft op de formaliteiten betreffende het aangaan van een huwelijk, en geen bepalingen omvat met betrekking tot het huwelijksvermogen van de echtgenoten. De aanwijzing van het toepasselijke recht moet uitdrukkelijk zijn overeengekomen of ondubbelzinnig voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden (art. 11 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). De door de vrouw bepleite overeengekomen rechtskeuze is niet ondubbelzinnig af te leiden uit de huwelijksakte en er zijn geen huwelijkse voorwaarden gemaakt, noch naar Zambiaans noch naar Nederlands recht, zodat een bij huwelijkse voorwaarden gemaakte (impliciete) rechtskeuze eveneens ontbreekt.
Dit betekent dat deze grief van de vrouw niet slaagt.
2.14.
Niet gesteld nog gebleken is dat partijen na de huwelijkssluiting alsnog een rechtskeuze hebben uitgebracht, zodat de bepaling van artikel 6 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 evenmin van toepassing is.
2.15.
Vast staat dat partijen op 9 februari 2013 te [plaats] , Zambia, met elkaar zijn gehuwd en dat de man ten tijde van de huwelijkssluiting de Zambiaanse nationaliteit had en de vrouw de Nederlandse nationaliteit. Partijen hadden derhalve op het moment van huwelijkssluiting geen gemeenschappelijke nationaliteit.
2.16.
Ingevolge artikel 4 lid 1 van het Haag Huwelijksvermogensverdrag 1978 wordt indien de echtgenoten het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat op welk grondgebied zij hun eerste gemeenschappelijk gewone verblijfplaats vestigen. Het uitgangspunt is dat de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats in beginsel moet worden gevestigd binnen een termijn van zes maanden, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.
In de onderhavige zaak staat vast dat de vrouw voorafgaand aan het huwelijk woonachtig was in Nederland, en de man in Zambia. Eveneens is niet in geschil dat de vrouw [in] januari 2013 naar Zambia is gevlogen. Partijen verschillen van mening of en wanneer de vrouw na de huwelijkssluiting terug naar Nederland is gegaan, of partijen voornemens waren om zich in één van de landen definitief te vestigen dan wel of er sprake is van een zodanige situatie dat de termijn van zes maanden kan worden verlengd.
2.17.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling op 2 november 2018 naar voren is gebracht overweegt het hof als volgt. Voor hof staat vast dat de vrouw na de huwelijkssluiting slechts enkele weken in Zambia heeft verbleven, waarna zij is teruggekeerd naar Nederland. Eveneens is tussen partijen niet in geschil dat kort na de huwelijkssluiting, te weten [in] maart 2013, de vrouw voor de man een aanvraag voor een toeristenvisum heeft ingediend. Toen het toeristenvisum is afgegeven is de man in juni 2013 naar Nederland gekomen voor het huwelijksfeest, waarna hij wederom is teruggekeerd naar Zambia. Pas [in] augustus 2013 heeft de vrouw bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland ingediend. Eind december 2013 is de man definitief naar Nederland gekomen om met de vrouw te gaan samen wonen. Op dat moment was de zes maandstermijn ruimschoots verstreken. Het hof is dan ook van oordeel dat op basis van de feiten niet kan worden aangenomen dat partijen kort na de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gehad, dan wel dat er sprake is van een zodanige bijzondere reden dat van voornoemde termijn moet worden afgeweken.
2.18.
Bij gebreke van een gewone verblijfplaats van de echtgenoten op het grondgebied van dezelfde Staat en bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit, wordt ingevolge artikel 4, derde lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door het interne recht van de Staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst verbonden is. Blijkens het rapport Von Overbeck, dat als bijlage is opgenomen bij de memorie van toelichting van de Goedkeuring van het op 14 maart 1978 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (kamerstuk 21272, vergaderjaar 1988/1989), is het aannemelijk dat bij de bepaling van het recht waarmee het huwelijksvermogensregime de nauwste banden heeft, ook de factor tijd in aanmerking wordt genomen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan de man [in] oktober 2013 een verblijfsvergunning tot voorlopig verblijf heeft verleend. Vervolgens is de man [in] december 2013 in Nederland aangekomen en heeft hij zich [in] januari 2014 ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente [gemeente] , en is niet in geschil dat partijen vanaf dat moment in Nederland als echtgenoten samenwoonden en nog steeds in Nederland verblijven, dat de man sindsdien betaalde werkzaamheden in Nederland heeft verricht en lid is geworden van de dorpsraad van zijn Nederlandse woonplaats. Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande voldoende is komen vast te staan dat het huwelijksvermogensregime het nauwst verbonden is met Nederland. Het voorgaande brengt met zich dat het Nederlandse recht het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst.
2.19.
Het voorgaande brengt met zich dat het beroep van de vrouw op dit punt evenmin slaagt, en de beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden bekrachtigd.
Proceskosten
2.20.
Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten en zal deze kosten in hoger beroep - zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard - compenseren.
3. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, A.N. Labohm en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. A.J. Nederveen als griffier, en is op 22 januari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 16‑01‑2019
Inhoudsindicatie
Ambtshalve voorvraag: rechtsgeldig in huwelijk getreden n Zambia? En zo ja, in Nederland vatbaar voor erkenning? Vragen IJI.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 16 januari 2019
Zaaknummer : 200.239.703/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 17-2389
Zaaknummer rechtbank : C/10/5223288
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge,
tegen
[geïntimeerde] ,
woonplaats kiezende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. G.J.J. van Dam-Lolkema te Rotterdam.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vrouw is op 25 mei 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 februari 2018 van de rechtbank Rotterdam (hierna: de bestreden beschikking).
De man heeft op 25 juli 2018 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
- op 12 juni 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;
- op 23 oktober 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;
- op 24 oktober 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;
- op 1 november 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage.
De zaak is op 2 november 2018 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Alvorens verder te beslissen en voor zover in hoger beroep van belang, is bepaald dat de behandeling ten aanzien van de zaak ten aanzien van de onderhoudsbijdrage en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen wordt aangehouden zoals weergegeven in die beschikking onder rechtsoverweging 2.7.12 tot 1 april 2018.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil zijn:
het verzoek van de vrouw tot nietigverklaring van het huwelijk tussen haar en de man, tot stand gekomen in Zambia;
het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime;
de proceskosten.
2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
- primair het huwelijk nietig te verklaren;
- subsidiair: voor recht te verklaren dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het interne recht van Zambia.
Verder verzoekt de vrouw de man te veroordelen in de kosten van beide instanties.
3. De man verweert zich daartegen en verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
Voorvraag
4. Het hof zal eerst ambtshalve als voorvraag aan de orde stellen of partijen in Zambia rechtsgeldig in het huwelijk zijn getreden en, zo ja, of dat huwelijk in Nederland vatbaar is voor erkenning.
Nietigverklaring huwelijk
Bevoegdheid
5. Ingevolge artikel 3 Brussel II-bis zijn ter zake van de nietigverklaring van het huwelijk bevoegd, onder meer, de gerechten van de EU-lidstaat waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben. De Nederlandse rechter heeft derhalve rechtsmacht, nu partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Toepasselijk recht
5. De vraag of een huwelijk kan worden vernietigd en wie de nietigheid op welke gronden met welke gevolgen kan inroepen, is naar algemene opvatting onderworpen aan het rechtsstelsel dat van toepassing is op de vraag of het huwelijk formeel en materieel geldig tot stand is gekomen. Dit betekent dat het rechtsstelsel dat de formele en materiële huwelijksvereisten stelt, ook de sanctie bepaalt op overtreding daarvan. Naar Nederlands internationaal privaatrecht, wordt de vraag of een huwelijk formeel en materieel geldig tot stand is gekomen in beginsel beheerst door het recht van het land waar het huwelijk is voltrokken. Zie o.m. de conclusie van de A-G Strikwerda tot Hoge Raad 16 oktober 1998, NJ 1999/6. Het recht van Zambia is derhalve van toepassing.
6. De vrouw betoogt in hoger beroep dat het huwelijk van partijen nietig is. Zij voert daartoe aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het aangaan van een huwelijk, want:
a. de man leefde in [plaats] . Niet is voldaan aan de voorwaarde om minimaal vijftien dagen voor het huwelijk inwoner te zijn geweest van het district waar de huwelijksceremonie zich heeft voltrokken;
b. door het ontbreken van de juiste identiteitsgegevens tast de vrouw in het duister of de man was gehuwd, voor de wet of onder African Customary Law;
c. het huwelijk is niet voltrokken in het bijzijn van twee getuigen;
d. het Marriage certificate is niet door twee getuigen ondertekend;
e. het Marriage certificate is niet ingeschreven in de Marriage Register Book.
7. De man bestrijdt het standpunt van de vrouw. Het huwelijk is volgens hem rechtsgeldig tot stand gekomen. De man is geboren [in] 1979. De vader en de zuster van de man waren getuigen bij het huwelijk. De vader van de man heeft de huwelijksakte ondertekend. Abusievelijk staan op de huwelijksakte de namen van de zus van de man vermeld. De vrouw was hiervan op de hoogte. De IND heeft de identiteit van de man vastgesteld. De certificaten zijn gelegaliseerd in Zambia en Nederland.
8. Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een goede beoordeling te maken - in het bijzonder om op de voorvraag te beslissen - en zal daarom nader advies in winnen bij het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag, R.J. Schimmelpennincklaan 20-22, 2517 JN Den Haag, telefoonnummer 070-346 09 74, verder te noemen: het IJI), om schriftelijk rapport uit te brengen en daarin de volgende vragen te beantwoorden.
9. Het hof zal de volgende vragen aan het IJI voorleggen:
heeft er op [datum] te [plaats] , Zambia, een naar het recht van Zambia rechtsgeldig huwelijk plaatsgevonden?
zo nee, wat zijn naar het recht van Zambia de gevolgen daarvan?
- Is het huwelijk dan absoluut nietig, in die zin dat nimmer een huwelijk heeft bestaan? Of is het huwelijk dan geldig totdat het vernietigd wordt?
- Kan naar het recht van Zambia nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht? Zo ja, op welke gronden?
10. Mocht het IJI tot de conclusie komen dat tussen partijen naar het recht van Zambia een rechtsgeldig huwelijk bestaat, dan wenst het hof ook nog de volgende vragen voor te leggen aan het IJI:
i. welke gevolgen heeft de vernietiging van een huwelijk naar het recht van Zambia? Heeft het huwelijk nimmer bestaan?
ii. heeft een huwelijk dat is vernietigd huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen naar het recht van Zambia, en zo ja, welke zijn dat?
iii. op welke wijze kan naar het recht van Zambia een rechtskeuze worden uitgebracht met betrekking tot het huwelijksvermogensregime?
11. Het onderzoek van het IJI zal onder leiding staan van een bij deze beschikking te benoemen raadsheer-commissaris. Het IJI kan zich, indien daartoe aanleiding is, door tussenkomst van de griffie met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en de voortgang van het onderzoek.
12. Het hof zal bepalen dat de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van ‘s Rijks kas zullen komen.
12. Zodra de resultaten van het deskundigenonderzoek bij het hof binnen zijn, zal het hof deze aan partijen doen toekomen en hen in de gelegenheid stellen zich hier schriftelijk over uit te laten.
14. Na ontvangst van het deskundigenrapport zal de zaak, tenzij het hof – al of niet op verzoek van een partij of beide partijen - alsnog anders beslist, schriftelijk worden afgedaan.
15. Het hof houdt iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van de proceskosten, aan.
BESLISSING
Het hof:
alvorens verder te beslissen:
benoemt tot deskundige het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag, teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen, aan de hand van de in rechtsoverwegingen 10 en 11 geformuleerde vragen;
bepaalt dat partijen bezwaren tegen of aanvullingen op de door het hof geformuleerde onderzoeksvragen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking schriftelijk en gemotiveerd aan het hof kenbaar dienen te maken;
benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. A.H.N. Stollenwerck, en bij diens afwezigheid: mr. A.N. Labohm;
bepaalt dat de deskundige bij het verrichten van zijn werkzaamheden naast de normen van zijn beroepsgroep tevens de leidraad deskundigen in civiele zaken in acht dient te nemen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste van ‘s Rijks kas zullen komen;
bepaalt dat de deskundige schriftelijk zijn bericht ter griffie van het hof, afdeling civiel recht, team familie (postbus 20302, 2500 EH Den Haag) zal deponeren. Uit dat bericht moet blijken:
a. dat de deskundige partijen in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen waarvan de inhoud in het bericht vermeld dient te worden;
b. dat de deskundige, alvorens een definitief rapport op te maken, partijen een conceptrapport heeft doen toekomen en partijen daarbij in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, waarvan de inhoud in het definitieve bericht vermeld dient te worden;
bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit bericht een declaratie van loon en kosten ter griffie zal indienen onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer;
wijst partijen erop dat, indien zij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige doen toekomen, zij daarvan terstond tevens een afschrift aan de wederpartij dienen te verstrekken;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;
bepaalt dat de advocaat van de vrouw binnen twee weken na datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen;
bepaalt dat de partijen na ontvangst van de resultaten van het deskundigenonderzoek in de gelegenheid zullen worden gesteld om zich schriftelijk uit te laten over de resultaten van het onderzoek;
houdt iedere verdere beslissing pro forma aan tot zaterdag 25 mei 2019.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, A.N. Labohm en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2019.