type: STcoll: LJS
Rb. Noord-Holland, 14-09-2022, nr. C/15/319379 / HA ZA 21-434
ECLI:NL:RBNHO:2022:9028
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
14-09-2022
- Zaaknummer
C/15/319379 / HA ZA 21-434
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2022:9028, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 14‑09‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBNHO:2022:2112, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 02‑03‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2022-0663
PS-Updates.nl 2022-0222
Uitspraak 14‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Letselschade. Eindvonnis. Doos op toerist gevallen in souvenirwinkel. Na reconstructie van het ongeval en getuigenverhoor: winkelier is aansprakelijk voor de schade. Verwijzing naar schadestaat
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/319379 / HA ZA 21-434
Vonnis van 14 september 2022 (bij vervroeging)
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] , [land] ,
eiser,
advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. de naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX N.V.,
tevens handelend onder de naam Allianz Nederland Schadeverzekering,
statutair gevestigd te Brussel (België), mede kantoorhoudende te Rotterdam,
gedaagden,
advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en Allianz genoemd worden. Gedaagden zullen ook gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagde 1] .
De zaak in het kort
De rechtbank heeft in een eerder tussenvonnis in deze zaak geoordeeld dat [gedaagde 1] door het omhoog gooien van dozen vanaf de begane grond in de souvenirwinkel naar een hoger gelegen opslag zonder de te nemen veiligheidsmaatregelen, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . Voor de vaststelling van aansprakelijkheid voor schade van [eiser] was echter nader onderzoek naar de feitelijke toedracht nodig. Op 25 mei 2022 heeft er daarom ter plaatse een reconstructie van het ongeval en een getuigenverhoor van [eiser] en zijn broer plaatsgevonden. Mede op grond daarvan oordeelt de rechtbank in dit eindvonnis dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. [gedaagde 1] en Allianz zijn gehouden de schade te vergoeden. De rechtbank verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 2 maart 2022;
- -
het proces-verbaal van descente van 25 mei 2022;
- -
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 mei 2022;
- -
de akte van de zijde van [eiser] van 20 juli 2022;
- -
de akte van de zijde van [gedaagde 1] van 17 augustus 2022.1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Bij tussenvonnis van 2 maart 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde 1] door haar gevaarzettende handelen onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Daarmee is nog niet gezegd dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de letselschade die [eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van het incident op 26 juni 2018. Voor een geslaagd beroep op een onrechtmatige daad moet ook sprake zijn van causaal verband tussen het incident en de schade.
2.2.
Volgens de rechtbank was nog onduidelijk of de gevaarlijke situatie die [gedaagde 1] in het leven heeft geroepen op zichzelf genomen de letselschade - zoals gesteld door [eiser] en betwist door [gedaagde 1] - veroorzaakt kan hebben. De rechtbank had nadere informatie nodig over de feitelijke omstandigheden tijdens het incident, zoals de plaats waar betrokkenen ten tijde van het ongeval stonden, de eigenschappen van de demoruimte/winkel waaronder de hoogte van de vide, de wijze en snelheid van het gooien van de dozen, het gewicht van de doos - met inhoud - en de plaats waar de doos het lichaam van [eiser] raakte. Daarom heeft de rechtbank een gerechtelijke plaatsopneming (descente) bevolen.
Gerechtelijke plaatsopneming
2.3.
Op 25 mei 2022 heeft de gerechtelijke plaatsopneming plaatsgevonden in de winkel [winkel gedaagde 1] aan de Zaanse Schans, in het bijzijn van alle partijen alsook de broer van [eiser] ( [broer eiser] ) en een medewerker van [gedaagde 1] ( [naam] ) die beiden bij het incident betrokken waren. Er is getracht de situatie ten tijde van het ongeval zo goed mogelijk te reconstrueren om de rechtbank en (de advocaten van) partijen een zo precies mogelijk beeld te geven van wat er feitelijk is gebeurd. Door de griffier van de rechtbank zijn foto’s en filmopnames van de reconstructie gemaakt. Deze zijn onderdeel van het proces-verbaal van descente en aan partijen ter beschikking gesteld.
Getuigenverhoor
2.4.
Aansluitend aan de descente zijn op de zittingslocatie Zaanstad [eiser] en zijn broer als getuigen gehoord door de rechtbank. Dit getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op verzoek van de advocaat van [eiser] . De advocaat van [gedaagde 1] heeft hiermee ingestemd. Na afloop van het getuigenverhoor heeft de rechtbank bepaald dat beide partijen nog een akte mochten nemen.
Akten
2.5.
In zijn akte van 20 juli 2022 heeft [eiser] , samengevat, het volgende aangevoerd.
2.5.1.
Vast staat dat bij het omhooggooien een doos op zijn hoofd/achterhoofd/bovenkant nek, naar alle waarschijnlijkheid aan zijn rechterzijde, is gevallen. De doos is niet loodrecht naar beneden gevallen, maar via de grote houten bint, gelet op de verklaring van de werknemer van [gedaagde 1] dat de doos stuiterde. Hierdoor kon de doos [eiser] goed met een hoek hebben geraakt. [eiser] houdt het erop dat dit een doos van 2,5 kg is geweest. De zware klap kwam voor hem onverwacht. Gelet ook op de diagnose postconcussion syndrome (PCS) die in de Verenigde Staten van Amerika is gesteld, is niet verwonderlijk dat hij niet precies kan beschrijven hoe de doos is gevallen en waar deze terecht is gekomen. De gooier en vanger konden de plaats van de inslag ook niet goed zien, gelet op hun positie.
2.5.2.
De doos heeft het letsel veroorzaakt waaronder [eiser] lijdt en kon dit ook veroorzaken, gezien de omvang en het gewicht ervan en de valhoogte. Met de door hem geconstateerde klachten kan er sprake zijn van een hersenschudding en een PCS. Zijn pre-existente aandoeningen doen niet af aan de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] .
2.6.
In zijn akte van 17 augustus 2022, heeft [gedaagde 1] , samengevat, het volgende aangevoerd.
2.6.1.
Vast is komen te staan dat het incident de gestelde letselschade van [eiser] niet heeft veroorzaakt. [eiser] is niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast ten aanzien van de plek waarop de doos zijn lichaam heeft geraakt. Duidelijk is geworden dat de doos op de linkerschouder van [eiser] is gevallen.2.6.2. Er is geen sprake geweest van een impact van betekenis. [gedaagde 1] betwist dat de vallende doos de zwaarste doos met pantoffels is geweest (maat 45-47, gewicht volgens etiket 2,5 kg). Hij gaat uit van de verklaringen van haar (oud)medewerkers dat de vallende doos een doos met pantoffels in maat 31-35 of 36-38 (gewicht volgens etiket 1,3 respectievelijk 1,6 kg) is geweest. Hoe dan ook kwam het werkelijke gewicht van de op de dag van het incident geleverde dozen volgens de expert van Andriessen Expertise niet boven de 2 kg uit.
2.6.3.
Van belang is verder de gemeten afstand van de vide tot aan de schouder van [eiser] (2,3 meter) en de afstand tussen de houten balk en de schouder van [eiser] (1,5 meter). Uitgaande van deze geringe hoogteverschillen en het geringe gewicht van de doos (max 2 kg) kan het contact met de doos geen letsel hebben veroorzaakt. Dit blijkt ook uit het feit dat [eiser] direct na het ongeval zei: “I’m fine / It’s okay”, zijn weg vervolgde en in Berlijn en Israël geen medische hulp heeft gezocht. Pas een week na het incident en drie dagen nadat hij terug was in Los Angeles heeft [eiser] zich met hoofdpijn en nek/schouderpijn rechts gemeld bij een zorgverlener.
De feitelijke toedracht
2.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Door de reconstructie en de verklaringen van betrokkenen [eiser] , zijn broer en [naam] tijdens de gerechtelijke plaatsopneming is de benodigde informatie over de feitelijke omstandigheden tijdens het incident gegeven. Voldoende is komen vast te staan dat [naam] een grote, langwerpige doos van maximaal 2 kg - zwaarder is niet gebleken - met zes stoffen pantoffels omhoog heeft gegooid. Deze doos is door een medewerker van [gedaagde 1] die op de vide stond, niet gevangen maar via een stuit op de houten balk naar beneden gevallen.
2.8.
De rechtbank gaat ervan uit dat de vallende doos [eiser] vervolgens heeft geraakt in het gebied van het achterhoofd en de nek. Zowel tijdens de mondelinge behandeling op 9 februari 2022 als tijdens de reconstructie heeft [eiser] dit met zijn handen laten zien. De rechtbank acht het reëel dat de doos op die plek terecht is gekomen. Uit de nabootsing van het incident volgt niet, zoals [gedaagde 1] stelt, dat de doos op de linkerschouder van [eiser] is gevallen. Verder kan niet worden aangenomen dat geen sprake is geweest van een impact van betekenis. Weliswaar was de valhoogte beperkt, maar de doos van omvang kwam voor [eiser] volkomen onverwacht uit de lucht vallen - aan zijn achterzijde -, terwijl hij zijn broer uitleg gaf over de werking van de machines in de demoruimte voor hen.
2.9.
Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de gevaarlijke situatie die [gedaagde 1] in het leven heeft geroepen waarbij een veiligheidsnorm is geschonden, de letselschade op zichzelf veroorzaakt kan hebben. Dat is voldoende voor het aannemen van het conditio sine qua non verband, dat voor de vestiging van aansprakelijkheid vereist is.
2.10.
Daaraan doet niet af dat [eiser] meteen na het ongeval verklaarde dat het goed met hem ging. Klachten treden niet altijd direct na een ongeval op. Deze kunnen zich op een later moment toch openbaren. Dat dit het geval is geweest bij [eiser] is voldoende gebleken. [eiser] heeft de dag na het ongeval (op 27 juni 2018 rond 12.30 uur) namelijk telefonisch contact opgenomen met [gedaagde 1] en melding gemaakt van het incident bij een medewerker van [gedaagde 1] . Het is niet waarschijnlijk dat hij dat zou hebben gedaan als hij geen klachten had gehad. Verder heeft de broer van [eiser] bevestigd dat [eiser] al tijdens de autorit naar en in Berlijn op 27 juni 2018 last had van moeheid, ernstige hoofdpijn en misselijkheid. Dat [eiser] hiervoor ‘pas’ op 3 juli 2018 medische hulp heeft gezocht toen hij was teruggekeerd in Los Angeles acht de rechtbank begrijpelijk, gezien zijn strakke reisschema en de aard van zijn klachten die op zichzelf met rust en pijnstillers ook over zouden kunnen gaan. Dat geeft de rechtbank geen reden eraan te twijfelen dat [eiser] door het ongeval letsel heeft opgelopen.
2.11.
Al met al komt de rechtbank tot de vaststelling dat [gedaagde 1] op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval op 26 juni 2018 heeft geleden en nog zal lijden.
Allianz aansprakelijk op grond van artikel 7:954 BW?
2.12.
[gedaagde 1] is verzekerd tegen aansprakelijkheid van zichzelf en haar werknemers bij Allianz. Op grond van artikel 7:954 BW heeft [eiser] een directe actie jegens Allianz om rechtstreeks van Allianz betaling van de door [gedaagde 1] verschuldigde schade te vorderen.
Allianz is zelf evenwel niet aansprakelijk voor de schade. [eiser] houdt voor zijn schade één debiteur: de verzekerde, [gedaagde 1] . Van een hoofdelijke verbondenheid van Allianz en [gedaagde 1] kan dus, anders dan [eiser] onder I. vordert (punt 3.1 van het tussenvonnis van 2 maart 2022), geen sprake zijn.
Conclusie aansprakelijkheid
2.13.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [eiser] onder I. toewijzen, in zoverre dat zij voor recht zal verklaren dat [gedaagde 1] op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval op 26 juni 2018 heeft geleden en nog zal lijden.
Schade
2.14.
Begroting van de schade is in dit geding, bij gebreke van voldoende concrete aanknopingspunten daarvoor, niet mogelijk. De schade dient daarom nader te worden opgemaakt bij staat. Anders dan [gedaagde 1] stelt, is voldaan aan de hiervoor geldende voorwaarde dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. De rechtbank zal [gedaagde 1] en Allianz tot vergoeding van de schade veroordelen, zoals in de beslissing onder 3.2 is vermeld.
2.15.
In de schadestaatprocedure zal de omvang van de gestelde materiële en immateriële schade moeten worden vastgesteld. Het debat hierover kan in die procedure worden voortgezet. Daar kan aan de orde komen, zo nodig aan de hand van medische deskundigenberichten, welke schade [gedaagde 1] als een gevolg van het incident kan worden toegerekend. Daarbij merkt de rechtbank op voorhand op dat vaste rechtspraak over artikel 6:98 BW luidt dat in geval van letselschade wegens overtreding van een veiligheidsnorm, zoals hier aan de orde, ruime toerekening het uitgangspunt is: zwakheden, kwetsbaarheden en andere bijzonderheden van het slachtoffer staan niet aan toerekening ex artikel 6:98 BW in de weg en komen in beginsel voor rekening van de veroorzaker van het ongeval. Bedoelde bijzonderheden kunnen wel een factor vormen waarmee rekening moet worden gehouden bij de schadebegroting.
Minnelijke regeling?
2.16.
De rechtbank geeft partijen wel nadrukkelijk in overweging om deze zaak verder onderling in der minne te regelen en zodoende een langdurige, kostbare verdere procedure te voorkomen.
Proceskosten
2.17.
[gedaagde 1] en Allianz zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 119,21
- griffierecht € 309,00
- getuigenkosten € 600,00
- salaris advocaat € 2.252,00 (4,5 punt × tarief € 563,00)
- nakosten € 163,00
Totaal € 3.443,21
De rechtbank zal de kostenveroordeling vermeerderen met de onbetwist gebleven wettelijke rente.
Indien [gedaagde 1] en Allianz niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, mogen de nakosten worden verhoogd met een bedrag van € 85,- aan salaris advocaat, met de wettelijke rente en met de explootkosten van betekening van de uitspraak.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval op 26 juni 2018 heeft geleden en nog zal lijden,
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en Allianz - zodanig dat wat de één heeft betaald, de ander bevrijdt - tot vergoeding van de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval op 26 juni 2018 heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en Allianz in de proceskosten - zodanig dat wat de één heeft betaald, de ander bevrijdt - aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 3.443,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
3.4.
verklaart de beslissing tot zover, met uitzondering van 3.1, uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑09‑2022
Uitspraak 02‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Letselschade. Amerikaanse toerist bezocht souvenirwinkel. Tijdens het verplaatsen van dozen naar een hoger gelegen opslag is een doos op het lichaam van de toerist terecht gekomen. Hij stelt hierdoor letsel te hebben opgelopen. Rb oordeelt in dit tussenvonnis dat de winkelier door zijn gevaarzettende handelen onrechtmatig heeft gehandeld. Voor de vaststelling van aansprakelijkheid is nader onderzoek naar de feitelijke toedracht nodig. Bevel plaatsopneming.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/319379 / HA ZA 21-434
Vonnis van 2 maart 2022 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] , [land] ,
eiser,
advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. de naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX N.V.,
tevens handelend onder de naam Allianz Nederland Schadeverzekering,
statutair gevestigd te Brussel, mede kantoorhoudende te Rotterdam,
gedaagden,
advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en Allianz genoemd worden.
Gedaagden zullen ook gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagde 1] .
De zaak in het kort
[eiser] , een Amerikaanse toerist, bracht op 26 juni 2018 tezamen met zijn broer een bezoek aan de souvenirwinkel van [gedaagde 1] in Zaandam (de Zaanse Schans). Tijdens dit bezoek waren medewerkers van [gedaagde 1] dozen aan het verplaatsen vanaf de begane grond in de winkel naar een hoger gelegen opslag. De dozen werden omhoog gegooid. Hierbij is een doos op het lichaam van [eiser] terecht gekomen. [eiser] stelt door de vallende doos letsel te hebben opgelopen. Hij wil dat [gedaagde 1] en haar verzekeraar de schade als gevolg van het incident vergoeden. De rechtbank oordeelt in dit tussenvonnis dat [gedaagde 1] door haar gevaarzettende handelen onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . Voor de vaststelling van aansprakelijkheid is echter nader onderzoek naar de feitelijke toedracht nodig. Daarom beveelt de rechtbank een plaatsopneming.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 augustus 2021 met producties 1-14;
- de conclusie van antwoord met producties 1-9;
- het tussenvonnis van 3 november 2021;
- de mondelinge behandeling op 9 februari 2022, waar zijn verschenen [eiser] (online via MS Teams), bijgestaan door een tolk in de Engelse taal (online via MS Teams) en mr. R.A.D. Blaauw, en namens [gedaagde 1] de heer [rrr] , business manager, vergezeld van zijn broer [sss] , mr. M.R. Lauxtermann en mr. D. Thiescheffer (online via MS Teams).
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen en hun advocaten ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser] bracht op 26 juni 2018 als Amerikaanse toerist samen met zijn broer een bezoek aan de souvenirwinkel van [gedaagde 1] in Zaandam (Zaanse Schans). Tijdens dit bezoek waren medewerkers van [gedaagde 1] dozen aan het verplaatsen vanaf de begane grond in de winkel naar een hoger gelegen opslag. De dozen werden omhoog gegooid. Hierbij is een doos op het lichaam van [eiser] terechtgekomen. Na verontschuldigingen van de medewerker op de begane grond is ieder weer verder gegaan. [eiser] is diezelfde dag met zijn broer naar Berlijn gereden.
2.2.
De volgende dag, op 27 juni 2018, heeft [eiser] telefonisch contact opgenomen met [gedaagde 1] en melding gemaakt van het incident bij een medewerker van [gedaagde 1] . Hierbij heeft hij geen van de leidinggevenden gesproken.
2.3.
Op 28 juni 2018 zijn [eiser] en zijn broer naar Israël gevlogen en vervolgens de dag erna, op 29 juni 2018, terug naar Los Angeles.
2.4.
Op 3 juli 2018 heeft [eiser] zich in een ziekenhuis in Los Angeles met klachten gemeld en daar werd, binnen een week na het incident, het vermoeden uitgesproken van een Post Concussion Syndrome (PCS). [eiser] is medicatie voorgeschreven en nadien, omdat zijn klachten van misselijkheid en hoofdpijn aanhielden, doorverwezen naar een neuroloog.
2.5.
Hierna volgden diverse doktersbezoeken en behandeltrajecten.
2.6.
Op 18 juli 2018 heeft [eiser] via zijn advocaat [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor alle als gevolg van het ongeval geleden schade.
2.7.
Allianz is de AVB-verzekeraar van [gedaagde 1] en heeft de aansprakelijkstelling in behandeling genomen. Zij heeft dat op 25 juli 2018 aan de advocaat van [eiser] laten weten.2.8. Allianz heeft op 9 september 2018 Andriessen Expertise opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren om meer duidelijkheid over de toedracht van het incident te krijgen.Onderdeel van dit onderzoek was het opnemen van verklaringen van de medewerkers van [gedaagde 1] . Videobeelden van de winkel, die betrekking zouden kunnen hebben op het incident, bleken niet bewaard te zijn.
2.9.
Op grond van de beschikbare informatie en de bevindingen uit het expertiserapport, heeft Allianz aansprakelijkheid bij e-mailbericht van 7 december 2018 van de hand gewezen. In datzelfde bericht heeft zij om nadere (medische) informatie van [eiser] gevraagd voordat eventuele aansprakelijkheid zou kunnen worden erkend. [eiser] heeft de gevraagde nadere informatie niet verstrekt.
2.10.
De medisch adviseur van Allianz rapporteert op 24 januari 2019 onder meer het volgende:
“Of het betreffende voorval verantwoordelijk kan zijn voor een hersenschudding in engere zin is onduidelijk. Onvoldoende blijkt dat betrokkene in de acute fase medische hulp zocht in verband met klachten als misselijkheid, geheugenverlies en bewustzijnsverandering. Zonder betreffende klachten kan niet gesproken worden van een hersenschudding. De neuroloog spreekt van een post-concusion syndrome, dat wil zeggen dat de klachten kunnen passen bij een ziektebeeld zoals dat voorkomt na een hersenschudding. Of de betreffende diagnose daadwerkelijk aan de orde is, is de vraag.”
2.11.
Later in 2019 heeft Allianz een voorstel tot een pragmatische regeling gedaan. [eiser] wees dit voorstel af. Hij wilde dat er in de Verenigde Staten een medische expertise zou plaatsvinden.
2.12.
Bij brief van 7 augustus 2019 aan de advocaat van [eiser] heeft Allianz nog een poging gedaan om uit de impasse te raken. Allianz heeft opnieuw om nadere informatie over de toedracht van het ongeval en medische informatie over een periode voorafgaand aan het ongeval verzocht. [eiser] heeft ook niet gereageerd op deze verzoeken.
2.13.
Op 10 oktober 2019 deed [eiser] Allianz een concept dagvaarding toekomen voor een bodemprocedure. In reactie hierop heeft de advocaat van Allianz nogmaals te kennen gegeven dat geen aansprakelijkheid kon worden aanvaard op basis van de bij haar bekende informatie. Tevens werd opnieuw verzocht om een toedrachtsomschrijving en medische informatie.
[eiser] heeft hierop niet gereageerd en ook niet op een door de advocaat van Allianz gestuurd rappel van 12 februari 2020.
2.14.
Op 13 maart 2020 heeft [eiser] een deelgeschil aanhangig gemaakt. Daarin verzocht hij onder meer om de aansprakelijkheid vast te stellen.
2.15.
Bij beschikking van 28 mei 2020 heeft deze rechtbank het verzoek van [eiser] afgewezen. De rechtbank oordeelde dat er op dat moment te weinig feitelijk houvast was voor de rechtbank om uitspraak te doen over de aansprakelijkheid en dat zij daarom tot de conclusie kwam dat het verzoek zich niet leende voor behandeling in een deelgeschil.
2.16.
Allianz heeft de voor haar nieuwe medische informatie die [eiser] bij het verzoekschrift had overgelegd, voorgelegd aan haar medisch adviseur. De medisch adviseur heeft op 17 februari 2021 gerapporteerd dat het aangewezen is dat nadere informatie over het syndroom van Sjögren en over de degeneratieve afwijkingen van de halswervelkolom overgelegd gaat worden.
2.17.
Bij e-mailbericht van 9 juni 2021 heeft Allianz (de advocaat van) [eiser] verzocht onder meer deze informatie te verstrekken. [eiser] heeft hierop niet gereageerd.
2.18.
De medisch adviseur van Allianz rapporteert op 10 september 2021 onder meer het volgende:“Samenvattend gaat het om een voorval waarbij betrokkene een doos van 1 à 2 kg op hoofd, nek en/of schouder heeft gekregen. Voor zover dat bekend is, waren er in de acute fase geen tekenen van een ernstig stomp schedeltrauma zoals bewustzijnsverandering of geheugenverlies. Op zeker moment stelt betrokkene zich onder behandeling van de neurologie vanwege hoofdpijn, slapeloosheid, duizeligheid en cognitieve problemen. De neuroloog behandelt gericht medicamenteus. Mogelijk werd neuropsychologisch onderzoek afgesproken. Of het betreffende voorval verantwoordelijk kan zijn voor een hersenschudding in engere zin is de vraag. Onvoldoende blijkt dat betrokkene in de acute fase medische hulp zocht in verband met klachten als misselijkheid, geheugenverlies en bewustzijnsverandering. Zonder betreffende klachten kan niet gesproken worden van een hersenschudding. De neuroloog spreekt vaneen post concussion syndrome. De betreffende diagnose is niet met zekerheid aan de orde.”
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,I. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens [eiser] op grond van onrechtmatige daad en Allianz jegens [eiser] op grond van artikel 7:954 Burgerlijk Wetboek (BW), ieder hoofdelijk, tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade gehouden zijn, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, die het gevolg is van het ongeval van 26 juni 2018 waarbij [eiser] in de winkel van [gedaagde 1] een doos op zijn hoofd heeft gekregen;II. [gedaagde 1] en Allianz veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de verdere schade te vergoeden die [eiser] heeft geleden door het ongeval van 26 juni 2018, een en ander weergegeven in de dagvaarding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;III. [gedaagde 1] en Allianz veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.
3.2.1.
Door het handelen van werknemers van [gedaagde 1] , bestaande uit het gooien van dozen vanaf de begane grond naar een hoger gelegen opslag, kon gevaar ontstaan voor de veiligheid en/of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten het winkelend publiek. [gedaagde 1] heeft geen veiligheidsmaatregelen genomen ter voorkoming van dat gevaar. Op enig moment is een doos verkeerd gegooid en/of niet gevangen waardoor [eiser] als bezoeker van de winkel onverwachts een vallende doos tegen zijn hoofd heeft gekregen. Hierdoor heeft hij letsel opgelopen, te weten PCS, waardoor hij onophoudelijk hoofdpijn heeft en voortdurend misselijk is. Door haar gevaar zettende handelen heeft [gedaagde 1] een onrechtmatige daad jegens [eiser] gepleegd. [gedaagde 1] heeft in strijd met artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet gehandeld en daarmee in strijd met een wettelijke plicht, wat onder artikel 6:162 lid 2 BW als onrechtmatig is aangemerkt. Tevens heeft [gedaagde 1] de zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW geschonden. In dit verband beroept [eiser] zich op de zogenaamde Kelderluik-criteria.1.
3.2.2.
Er bestaat voldoende causaal verband tussen het incident en de door [eiser] geleden en nog te lijden schade. Voor het incident had [eiser] geen last van PCS of soortgelijke klachten. Voor zover [gedaagde 1] de causaliteit betwist, beroept [eiser] zich op de toepassing van de zogenaamde omkeringsregel, waardoor het causaal verband tussen het incident en de door [eiser] geleden en nog te lijden schade moet worden aangenomen. Deze schade bestaat uit letsel en als gevolg daarvan ontstane materiële schade, waaronder inkomensschade (door het incident is [eiser] arbeidsongeschikt geraakt), medische kosten, kosten voor het opstellen van een rapport door een medisch expert en advocaatkosten, alsmede immateriële schade, te weten smartengeld. Omdat er nog geen sprake is van een medische eindsituatie, moet de schade worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.
3.2.3.
[eiser] baseert zijn vordering jegens Allianz op de directe actie van artikel 7:954 BW. Dit artikel heeft als uitgangspunt dat uit de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] als verzekerde een betalingsverplichting van haar verzekeraar, zijnde Allianz, voortvloeit, waarop ook [eiser] zich kan beroepen.
3.3.
[gedaagde 1] voert verweer.
3.3.1.
[gedaagde 1] betwist dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen. Daartoe stelt [gedaagde 1] allereerst dat zonder aanvullend bewijs, dat ontbreekt, partijen gebonden zijn aan de bindende eindbeslissing van de rechtbank van 28 mei 2020, inhoudende dat onvoldoende informatie beschikbaar is om te kunnen oordelen over de aansprakelijkheidsvraag.
Ten tweede stelt [gedaagde 1] dat het gooien van de dozen geen onrechtmatige gevaarzetting heeft opgeleverd, reeds omdat de vallende doos niet meer woog dan tussen de 1 en 2 kg en de impact daarvan minimaal is. De werkwijze van [gedaagde 1] kan dan ook niet als gevaarlijk of risicovol worden beschouwd en noopte niet tot het nemen van voorzorgsmaatregelen. Bovendien was de waarschijnlijkheid van het oplopen van letsel door het gooien van de dozen dermate gering, dat op basis daarvan niet gezegd kan worden dat [gedaagde 1] zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. [gedaagde 1] beroept zich in dit verband op het Zwiepende tak arrest van de Hoge Raad.2.
3.3.2.
Subsidiair stelt [gedaagde 1] zich op het standpunt dat [eiser] geen letsel bij het incident heeft opgelopen, gezien de geringe impact van de confrontatie met de doos. Na het incident was er niets aan de hand met [eiser] . Hij deelde mee dat het goed met hem ging en is doorgelopen. Pas een week later meldde hij zich bij een arts. Bovendien is uit de door [eiser] verstrekte medische informatie gebleken dat sprake is van serieuze pre-existente medische problematiek. Wegens het uitblijven van nadere informatie hierover handhaaft [gedaagde 1] zijn standpunt dat van opgelopen letsel geen sprake kan zijn. Het beroep van [eiser] op toepassing van de omkeringsregel kan hem ook niet baten.
3.3.3.
Meer subsidiair stelt [gedaagde 1] dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat hij enige vorm van schade heeft geleden. Als de rechtbank het bestaan van schade wel aanneemt, moet de schade in deze hoofdprocedure worden vastgesteld.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1. Het internationale karakter van dit geschil (eiser is woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika) brengt mee dat beoordeeld moet worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de Herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) No. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat gedaagden in Nederland zijn gevestigd. De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, is op grond van artikel 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de bevoegde rechter. Met partijen gaat de rechtbank ervan uit dat, nu het incident heeft plaatsgevonden in Nederland, het Nederlandse recht van toepassing is.
Aansprakelijkheidsvraag
4.2.
Kern van het geschil vormt de vraag of [gedaagde 1] aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen van het [eiser] op 26 juni 2018 overkomen incident in de souvenirwinkel van [gedaagde 1] , waarbij een vallende doos - nadat deze door een werknemer verkeerd was gegooid en/of niet gevangen - op zijn lichaam terecht is gekomen.De rechtbank zal tot de conclusie komen dat zij deze vraag op dit moment nog niet kan beantwoorden. Hieronder volgt de uitleg waarom dat zo is.
Bindende eindbeslissing?
4.3.
De rechtbank verwerpt de stelling van [gedaagde 1] dat partijen gebonden zijn aan de beslissing van de rechtbank in deelgeschil. De beschikking van 28 mei 2020 houdt tussen partijen niet een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven bindende eindbeslissing in over de aansprakelijkheidsvraag. Wat de rechtbank heeft overwogen, komt er juist op neer dat de feitelijke omstandigheden tijdens het incident onvoldoende duidelijk waren om de aansprakelijkheidsvraag te kunnen beantwoorden, waardoor de zaak zich niet leent voor behandeling in deelgeschil.
Grondslag
4.4.
De vordering van [eiser] jegens [gedaagde 1] is gebaseerd op een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW van [gedaagde 1] wegens schending van een wettelijke- dan wel zorgvuldigheidsnorm. Op grond van artikel 6:162 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die aan hem kan worden toegerekend, verplicht om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.
Juridisch kader
4.5.
Als een onrechtmatige gedraging wordt onder meer aangemerkt ‘een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht’. De verplichting uit artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet voor een werkgever om doeltreffende maatregelen te nemen ter voorkoming van gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan zijn werknemers, zoals bezoekers, is een wettelijke plicht zoals bedoeld in artikel 6:162 BW, zodat de werkgever, door schending van een dergelijke verplichting, in beginsel onrechtmatig handelt jegens die andere personen.
4.6.
Een onrechtmatige gedraging kan ook bestaan uit schending van een zorgvuldigheidsnorm doordat iemand een andere persoon niet waarschuwt voor een gevaarlijke situatie terwijl hij zelf met dat gevaar bekend is. Onder 'gevaarzetting' wordt dan verstaan het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar voor personen of zaken. Hieronder wordt begrepen het achterwege laten van voldoende voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van de verwezenlijking van dat gevaar.
4.7.
De vraag is of aan iemand die een situatie in het leven roept of laat voortbestaan die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Dat hangt volgens vaste rechtspraak niet alleen af van de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en onvoorzichtigheid kan worden verwacht, maar van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, van de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en van de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.3.
Onrechtmatig handelen 4.8. Of [gedaagde 1] bij het verplaatsen van de dozen jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, dient (mede) te worden beantwoord in het licht van de feitelijke toedracht. Op [eiser] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten - de door hem aangevoerde feitelijke toedracht -, die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn vordering.
4.9.
In dit stadium van de procedure gaat het eerst om de vaststelling van de feitelijke toedracht van wat er gebeurd is. Het gaat dus (nog) niet om het causaal verband tussen het gestelde onrechtmatig handelen en de schade. Daarom bestaat geen aanleiding voor toepassing van de in de jurisprudentie ontwikkelde omkeringsregel. Die ziet immers alleen op dat laatste.
4.10.
Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde 1] een wettelijke veiligheidsnorm en/of een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang:
a. [eiser] bezocht samen met zijn broer als toerist de souvenirwinkel van [gedaagde 1] ,b. twee werknemers waren op dat moment (in de demoruimte) dozen aan hetverplaatsen vanaf de begane grond naar de eerste verdieping/de vide;b. één werknemer stond boven en één werknemer stond beneden;c. één doos werd niet goed gegooid of gevangen;d. de doos viel naar beneden en raakte (de bovenkant van) het lichaam van [eiser] ;e. de plek in de winkel waar de medewerkers aan het gooien waren, was niet afgezetmet bijvoorbeeld een lint en er waren ook geen andere waarschuwingstekens.
4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat voor de bezoekers van de souvenirwinkel in de directe nabijheid van de werkzaamheden gevaar voor hun veiligheid of gezondheid van derden is ontstaan. Ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan – dit staat tussen partijen niet vast – dat de doos waarmee de werknemers aan het gooien waren, zes paar stoffen pantoffels bevatte met een totaalgewicht van ‘slechts’ 1,3 kg en met een afmeting van 54 x 20 x 26 cm, zoals [gedaagde 1] ter zitting liet zien (zie onderstaande foto), levert dat gooien een gevaar voor derden op.
Hoewel uiteraard van belang, komt aan het enkele gewicht van de doos geen doorslaggevende betekenis toe. De impact van een vallende doos op een persoon is immers afhankelijk van verschillende variabelen, waarvan het gewicht er één is. Niet zonder meer kan worden gezegd dat die impact bij een lichte doos minimaal is. Denkbaar is dat bij een ongelukkige confrontatie een kans op schade bestaat en dat de gevolgen ernstig kunnen zijn.
4.12.
[gedaagde 1] had zich ervan bewust moeten zijn dat door haar werkwijze gevaar kon ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van bezoekers van haar winkel en had, gelet op artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, doeltreffende maatregelen moeten nemen ter voorkoming van dat gevaar. Dat heeft [gedaagde 1] nagelaten. Tijdens de werkzaamheden was geen enkele voorzorgsmaatregel getroffen. Dit terwijl het niet om een incidentele handeling ging. Naar eigen zeggen van [gedaagde 1] deden de medewerkers dit wel vaker zo. In dit geval lag er een stapel van stuk of 80 dozen die een barrière vormde en moest worden weggewerkt.
Dat het verplaatsen van de dozen voor iedereen zichtbaar was en de winkel op het moment van het bezoek van [eiser] rustig was, kan [gedaagde 1] niet baten. Die omstandigheden ontslaan [gedaagde 1] immers niet van haar wettelijke plicht gevaar voor derden te voorkomen. Van een bijzondere situatie als aan de orde in het door [gedaagde 1] aangehaalde arrest Zwiepende tak is, zoals [eiser] terecht stelt, geen sprake.
4.13.
Dit leidt ertoe dat [gedaagde 1] het veiligheidsvoorschrift van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft overtreden. [gedaagde 1] heeft ook de op haar rustende zorgvuldigheidsnorm als bedoeld in artikel 6:162 BW geschonden door met de wijze van het verplaatsen van de dozen een gevaarlijke situatie in het leven te roepen zonder de te nemen veiligheidsmaatregelen, terwijl dergelijke maatregelen voor haar allerminst bezwaarlijk waren. Inmiddels wordt, zo blijkt uit verklaringen van (oud-)werknemers, de ruimte beneden afgezet met een geel lint als er dozen naar boven worden gegooid en worden mensen gewaarschuwd als zij te dichtbij komen.
4.14.
De conclusie is dan ook dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.Causaal verband
4.15.
Daarmee is echter nog niet gezegd dat [eiser] aansprakelijk is voor de letselschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het incident. Voor een geslaagd beroep op een onrechtmatige daad moet ook sprake zijn van causaal verband tussen het incident en de schade. Daarvoor moet echter wel het incident zelf voldoende vast staan. Pas daarna is eventueel de omkeringsregel aan de orde.
De feitelijke toedracht
4.16.
[gedaagde 1] stelt dat op basis van de vaststaande feiten niet kan worden aangenomen dat het incident tot letselschade bij [eiser] heeft geleid. Zij betwist dat door de vallende doos een hersenschudding (PCS) zou zijn veroorzaakt.
4.17.
Over de feitelijke toedracht hebben [eiser] en zijn broer schriftelijke verklaringen afgelegd die in dit geding zijn gebracht. Uit die verklaringen komt naar voren dat de doos op het hoofd van [eiser] is gevallen.4.18. Uit het hiervoor onder 2.8 vermelde expertiserapport volgt dat twee(oud-)werknemers van [gedaagde 1] als getuige verklaren dat de doos niet op het hoofd, maar op de linker schouder, nek of rug van [eiser] terecht is gekomen.
4.19.
In het medisch verslag van het ziekenhuisbezoek in Los Angeles op 3 juli 2018 is als anamnese de volgende verklaring van [eiser] weergegeven: “Patient states he was in Amsterdam about 1 week ago visiting issue factory. While a factory, a box fell on his head. He did not lose consciousness. He initially felt okay but as the days go on he developed a slow onset global headache. He says the box also hit the right side of his neck and right shoulder and he has been having right neck pain as well.(..)” 4.20. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] (via de videoverbinding) desgevraagd toegelicht en met zijn handen laten zien dat de doos op de bovenkant van zijn nek en de onderkant van zijn hoofd landde.
4.21.
Of de gevaarlijke situatie die [gedaagde 1] in het leven heeft geroepen op zichzelf genomen de letselschade - zoals gesteld door [eiser] en betwist door [gedaagde 1] - veroorzaakt kan hebben, acht de rechtbank nog onduidelijk. De processtukken, waaronder de diverse verklaringen van betrokkenen en het expertiserapport, bevatten hiervoor nog onvoldoende gegevens. [eiser] heeft zijn stellingen – hoewel daartoe uitgenodigd door [gedaagde 1] – niet nader gespecificeerd, bijvoorbeeld door overlegging van schetsen van de feitelijke toedracht.
Plaatsopneming nodig 4.22. Bij de huidige stand van zaken heeft de rechtbank nadere informatie nodig over de feitelijke omstandigheden tijdens het incident, zoals de plaats waar betrokkenen ten tijde van het ongeval stonden, de eigenschappen van de demoruimte/winkel waaronder de hoogte van de vide, de wijze en snelheid van het gooien van de dozen, het gewicht van de doos - met inhoud - en de plaats waar de doos het lichaam van [eiser] raakte. De rechtbank ziet daarom aanleiding voor een gerechtelijke plaatsopneming (descente).
4.23.
Het komt de rechtbank geraden voor om, voor zover mogelijk, de situatie ten tijde van het ongeval te reconstrueren om de rechtbank en de advocaten van partijen een zo precies mogelijk beeld te geven van wat er is gebeurd. Deze nadere informatie kan voor de omvang van de schade en de aansprakelijkheid verschil maken en is (ook) van belang voor de beoordeling van wat [gedaagde 1] met betrekking tot het ontbreken van causaal verband heeft aangevoerd.
4.24.
De rechtbank acht het gewenst dat [eiser] en/of zijn broer en de(oud-)medewerkers van [gedaagde 1] die bij het incident betrokken waren, bij de plaatsopneming aanwezig zijn. Indien dit niet mogelijk is, verzoekt de rechtbank betrokkenen met het oog op de plaatsopneming de advocaten zo volledig mogelijk te instrueren over hoe het incident heeft plaatsgevonden.
4.25.
Door partijen tijdens of voorafgaand aan de plaatsopneming over te leggen bewijs- en/of processtukken dienen uiterlijk 10 dagen voor de descente in het bezit te zijn van de rechtbank en de wederpartij. Daarbij merkt de rechtbank op dat het haar, vooral gelet op het feit dat het incident ruim 3,5 jaar geleden is voorgevallen, niet zinvol lijkt om alsnog of opnieuw getuigen te gaan horen.
4.26.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de plaatsopneming.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
beveelt een gerechtelijke plaatsopneming door mr. L.J. Saarloos in Zaandam (Zaanse Schans), aan het [adres] (de winkel [naam winkel] ), op een door de rechtbank nog nader vast te stellen datum en tijd,
5.2.
bepaalt dat [eiser] dan in persoon aanwezig moet zijn of vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is (bijvoorbeeld zijn broer) en dat [gedaagde 1] en Allianz dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen, beide partijen bijgestaan door hun advocaten,
5.3.
verzoekt [gedaagde 1] te proberen ervoor zorg te dragen dat de destijds aanwezige (oud)medewerkers [ttt] en [uuu] ook aanwezig zijn,
5.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 maart 2022 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juli 2022, waarna dag en uur van de plaatsopneming zal worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank dit tijdstip zelfstandig zal bepalen,
5.6.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de plaatsopneming dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
5.7.
wijst partijen er op, dat voor de plaatsopneming anderhalf uur zal worden uitgetrokken,
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2022.4.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑03‑2022
Hoge Raad 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079
Hoge Raad 9 december 1994, NJ 1996, 403
zie o.a. Hoge Raad 5 november 1966, NJ 1966, 136 (Kelderluik) en Hoge Raad 28 mei 2004, NJ 2005, 105 (Jetblast)
type: STcoll: LJS