Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/3.5
3.5 Medezeggenschapsrecht
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604148:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Specifiek ten aanzien van de SE wijzen Bartman en Dorresteijn (2006) bovendien op de Wet inzake de rol van de werknemers bij de Europese vennootschap.
Richtlijn 94/95/EG van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese Ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, PbEG 1994 L 254.
F.W.H. Vink, Inzicht in de ondernemingsraad. Een toelichting bij de Wet op de ondernemingsraden, zeventiende druk, Den Haag: 2006, ontleend aan Bartman en Dorresteijn (2006).
Het medezeggenschapsrecht berust grotendeels op de Wet op de ondernemingsraden (WOR), en op de in paragraaf 3.4.3 beschreven structuurregeling. De WOR is van toepassing op de onderneming, en legt verplichtingen op aan de ondernemer die in het overleg met de ondernemingsraad wordt vertegenwoordigd door een bestuurder. Voorts bevat de Wet op de Europese ondernemingsraden (WEOR) regels met betrekking tot grensoverschrijdende medezeggenschap in ondernemingen met een intracommunautaire dimensie.1 De WEOR kent een eigen begrippenkader, en vormt de implementatie van de Europese ondernemingsradenrichtlijn.2 Ten aanzien van werknemersmedezeggenschap kan ten slotte worden gewezen op het SER-besluit Fusiegedragsregels 2000 (Fusiegedragsregels 2000). Dit besluit komt voort uit overleg tussen werkgevers- en werknemersorganisaties in de SER, en bevat gedragsregels in situaties van fusie van ondernemingen.
In deze regelingen kunnen aangrijpingspunten worden gevonden voor de omschrijving van fiscale verbondenheidsbegrippen.
In een groep verbonden ondernemingen
In de WOR komt de term ‘in een groep verbonden ondernemingen’ een aantal malen voor, bijvoorbeeld in art. 3 lid 2 WOR. De term wordt echter niet omschreven. Bart-man en Dorresteijn (2006) beschrijven dat onder ‘groep’ een concern moet worden verstaan, dat wil zeggen, groepen van ondernemers werkzaam in het (commerciële) bedrijfsleven. Zij wijzen op de wetsgeschiedenis, waarin is bepaald dat sprake is van een groep of concern wanneer naar de rechtsvorm zelfstandige ondernemers zijn onderworpen aan een gemeenschappelijke leiding, danwel één van hen die leiding over de andere uitoefent of kan uitoefenen. Het gaat volgens Bartman en Dorresteijn om een juridisch groepsbegrip en dus om potentiële zeggenschap.
Op basis van art. 3, lid 2, WOR moet voor ‘in een groep verbonden ondernemingen’ een gemeenschappelijke ondernemingsraad worden ingesteld, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de betrokken ondernemingen. In de publicatie ‘Inzicht’ is een voorwaarde voor een gemeenschappelijke ondernemingsraad gesteld, namelijk dat een overwegend gemeenschappelijk bedrijfsbeleid wordt gevoerd.3 Indien geen overwegend gemeenschappelijk bedrijfsbeleid wordt gevoerd terwijl er wel gemeenschappelijke belangen zijn, kan de concernleiding op basis van art. 33, lid 1, WOR een centrale ondernemingsraad instellen. Op basis van art. 33, lid 2, WOR kan desgewenst voor een aantal ondernemingen een gemeenschappelijke ondernemingsraad worden ingesteld. Het vorenstaande onderstreept het belang van organisatorische verbondenheid.
Overigens heeft het begrip ‘in een groep verbonden ondernemingen’ een obligatoire functie, en met name een operationaliseringsfunctie, vanwege het beoogde inzicht in de concernonderneming.
Vereenzelviging
Indien in concernsituaties de moederonderneming kan worden vereenzelvigd met de dochter, zou de ondernemingsraad zijn adviesrecht ook kunnen uitoefenen met betrekking tot besluiten van de moeder. Bartman en Dorresteijn merken op dat de Hoge Raad dit principe niet snel wenst toe te passen. Uit HR 26 januari 2000 (Provincie Zuid Holland), NJ 2000, 223, blijkt dat het feit dat een ander een besluit neemt dat rechtstreeks ingrijpt in de onderneming, onvoldoende is om van een medeondernemer te spreken. De Hoge Raad besliste in deze zaak dat voor vereenzelviging is vereist dat die ander een positie inneemt die hem stelselmatig een zodanige invloed op de besluitvorming binnen de onderneming verschaft, dat gezegd kan worden dat de onderneming mede door die ander in stand wordt gehouden. Ook dit duidt op organisatorische verbondenheid.
Communautaire groep
De WEOR is van toepassing op in Nederland woonplaats of zetel hebbende communautaire ondernemingen en op communautaire groepen. In art. 1 lid 1 onderdeel d WEOR is het begrip ‘communautaire groep’ gedefinieerd als het geheel van ondernemingen bestaande uit een moederonderneming en de ondernemingen waarover zij de zeggenschap uitoefent. Deze omschrijving duidt eveneens op het belang van organisatorische verbondenheid.
De term ‘moederonderneming’ is in art. 2 lid 1 WEOR gedefinieerd als de onderneming die binnen een communautaire groep een overheersende zeggenschap kan uitoefenen op een andere onderneming. Er geldt overigens een wettelijk vermoeden dat sprake is van een ‘moederonderneming’ indien de onderneming beschikt over meer dan 50% van de benoemingsrechten ten aanzien van het bestuur, de stemrechten in de ava, of het geplaatste kapitaal van een andere onderneming. Hoewel dus in principe de ‘zeggenschap’ centraal staat, is gekozen voor een praktische invulling aan de hand van formeel-juridische criteria. Dit duidt weer op financiële verbondenheid.
Overigens hebben de begrippen ‘communautaire groep’ en ‘moederonderneming’ eveneens een operationaliseringsfunctie.
Fusie
In art. 1 lid 1 onderdeel d Fusiegedragsregels 2000, wordt het begrip ‘fusie’ omschreven als ‘de verkrijging of overdracht van de zeggenschap, direct of indirect, over een onderneming of een onderdeel daarvan, alsmede de vorming van een samenstel van ondernemingen’.
De term ‘samenstel van ondernemingen’ is gedefinieerd in art. 1 lid 1 onderdeel c Fusiegedragsregels 2000, en omvat twee of meer ondernemingen die in stand worden gehouden door dezelfde ondernemer, door twee of meer ondernemers die een ‘groep’ vormen in de zin art. 2:24b BW, of door twee of meer ondernemers op basis van een onderlinge regeling tot samenwerking. Ook deze term heeft een operationaliseringsfunctie.