Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/1.2:1.2 Probleemstelling, afbakening en methodiek
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/1.2
1.2 Probleemstelling, afbakening en methodiek
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS302222:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Altena-Davidsen, Van den Berge & Huijzer 2012, p. 21; Prechal 2006.
Marseille 2010, p. 424; Brugman 2010, p. 53 e.v.; Crommelin 2007, p. 211.
Hiervoor zij verwezen naar het onderzoek dat is uitgevoerd door T. Nowak, F. Amtenbrink, M. Hertogh en M.H. Wissink voor het HiiL: National Judges as European Union Judges (Den Haag: Eleven Publishing 2011).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
4.
In dit boek wordt onderzocht wat de invloed van het EU-recht is op het Nederlandse stelsel van de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, gelet op de noodzaak om invulling te geven aan de op EU-rechtelijk niveau geformuleerde sociaal-economische doelstellingen enerzijds en de verplichting tot het verzekeren van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM anderzijds.
Het EU-recht kent bepaalde doelstellingen, geformuleerd in het VEU. Een voorbeeld is een hoog niveau van consumentenbescherming. Die doelstellingen staan niet op zichzelf. Zij dienen uiteindelijk een vanuit EU-rechtelijk perspectief hoger doel: een interne markt waar veel handelsverkeer tussen ondernemingen en particulieren uit de verschillende lidstaten plaatsvindt of de steeds belangrijker wordende ruimte voor vrijheid, veiligheid en recht.1 Eventuele barrières worden door het EU-recht zoveel mogelijk weggenomen, bijvoorbeeld in de vorm van een kartelverbod, het verbod op het misbruik maken van een machtspositie of het toebedelen van extra bescherming aan een zwakkere partij, zodat deze laatste wordt gestimuleerd om transacties aan te gaan die zij wellicht niet zou zijn aangegaan zonder die extra bescherming. De effectuering van die bepalingen geschiedt op een nationaal niveau. Hiervoor werd al aangegeven dat die bepalingen niet al teveel mogen worden uitgehold door bepalingen van nationaal recht. Dit onderzoek concentreert zich dus op de spanning tussen het Nederlandse stelsel van het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden, grofweg de artikelen 23 tot en met 25 en 149 Rv, en de effectiviteit van het EU-recht en de daaruit voortvloeiende vraag of dat Nederlandse stelsel nog volledig houdbaar is. Er zal vooral worden gefocust op de vraag in hoeverre de rechter is gebonden aan de rechtsstrijd zoals deze wordt afgebakend door partijen (artikel 24 Rv) en aan de feitelijke grondslag (artikel 149 Rv). Het onderzoek is beperkt tot de aanvulling van rechtsgronden in een civiel geding en ziet dus niet op de vraag op welke wijze dit geschiedt in bestuursrechtelijke geschillen. De laatste keuze hangt samen met het in het bestuursrecht gemaakte onderscheid tussen ambtshalve aanvulling en ambtshalve toetsing en de verschillende rechtsgevolgen die aan beide typen zijn verbonden.2 Een dergelijk onderscheid kent het civiele procesrecht niet.
5.
Het belang van dit onderzoek is tweeërlei. Vanuit praktisch oogpunt is het noodzakelijk om te bepalen of en in welke mate de Nederlandse civiele rechter zijn bevoegdhedenarsenaal uit het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan en moet inzetten om toepassing te geven aan rechtsgronden van EU-recht. De hoofdregel is dat bij gebreke van een EU-rechtelijke regeling die de kwestie regelt wordt teruggevallen op het nationale procesrecht, maar door de gelijkwaardigheids- en effectiviteitseis kan het zijn dat de Nederlandse rechter niet volledig kan vasthouden aan alle bepalingen met betrekking tot het aanvullen van rechtsgronden. Bovendien kan de Nederlandse rechter een positieve verplichting worden opgelegd op grond van het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Er dient goed onderzocht te worden welk deel van het stelsel van de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden standhoudt en waar dit stelsel eventueel vanuit ‘Europa’ wordt aangevuld.
Het tweede belang is gelegen in de vraag in hoeverre het Nederlandse civiele procesrecht wordt beïnvloed door de rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot de ambtshalve toepassing van EU-recht. Kan deze rechtspraak worden ingepast in het Nederlandse rechtsstelsel? Uitgangspunt is de juridisch-dogmatische veronderstelling dat een coherent juridisch systeem iets is dat zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
6.
Het onderzoek is juridisch-dogmatisch van aard. Er wordt verondersteld dat er bij de Nederlandse rechter voldoende kennis van het EU-recht aanwezig is, zodat hij kan voldoen aan hetgeen het HvJ EU van hem vergt. Dat dit uitgangspunt in de praktijk wellicht niet altijd opgeld doet, heeft voor dit onderzoek geen gevolgen. Er wordt niet bezien wat de praktische ervaring is van Nederlandse rechters met het EU-recht,3 maar wat zij in theorie zouden moeten doen en in hoeverre zij daar toereikend voor zijn geëquipeerd. In dat laatste aspect schuilt ook de waarde van de rechtsvergelijking. Voor zover na een analyse van jurisprudentie en literatuur zou mogen blijken dat de Nederlandse rechter niet kan voldoen aan de vereisten die het HvJ EU aan hem stelt, kan aan de hand van rechtsvergelijking worden bezien welke bevoegdheden aan de Nederlandse rechter zouden kunnen worden, en wellicht moeten worden, toegekend.