HR, 03-02-2026, nr. 23/03602
ECLI:NL:HR:2026:157
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-02-2026
- Zaaknummer
23/03602
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:157, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑02‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1369
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:4049
ECLI:NL:PHR:2025:1369, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:157
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Diefstal van elektriciteit (art. 310 Sr) en valsheid in geschrift m.b.t. huurovereenkomsten, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr). 1. Bewijsklacht diefstal m.b.t. feit van algemene bekendheid t.a.v. uitvoeren van werkzaamheden aan een onder spanning staande elektriciteitskabel, art. 339.2 Sv. Kon hof oordelen dat “het een feit van algemene bekendheid is dat geen enkel weldenkend mens (dus ook verdachte niet) werkzaamheden gaat verrichten aan een onder spanning staande elektriciteitskabel”? 2. Bewijsklacht valsheid in geschrift m.b.t. oogmerk om geschriften als echt onvervalst te gebruiken. Volgt oogmerk van misleiding uit bewijsvoering van hof? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/04317 P en 24/04318.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03602
Datum 3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 september 2023, nummer 20-000365-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] (voorheen genaamd: [vroegere naam verdachte] ),
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van 't Hullenaar bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijftien maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.
Conclusie 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Diefstal van elektriciteit (art. 310 Sr) en valsheid in geschrift (225 Sr). Middel 1 klaagt over aanmerking gegeven als feit van algemene bekendheid. Middel 2 klaagt dat oogmerk tot gebruik van vals geschrift niet uit de bewijsvoering blijft. Middel 1 faalt. Middel 2 kan niet tot cassatie leiden omdat het oogmerk blijkt uit een samenhangende zaak. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie en tot verwerping van het overige. Samenhang met 24/04318 en 24/04317 P.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03602
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 5 september 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 20-000365-20 wegens 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel", 2. “diefstal”, 4 primair “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 5. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie” en 6. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot zestien maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.1.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/04318 en 24/04317 P. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte2.en S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het procesverloop
2.1
De verdachte is (onder de naam [vroegere naam verdachte] ) in de onderhavige zaak bij vonnis van 23 januari 2020, gewezen onder parketnummer 03-720585-17, door de rechtbank Limburg veroordeeld wegens een zestal feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Het door de verdachte tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is door het hof in eerste instantie behandeld onder parketnummer 20-000365-20. Op de terechtzitting van 22 augustus 2023 heeft het hof in die zaak de afsplitsing bevolen van het onder feit 3 tenlastegelegde (kort gezegd: gewoontewitwassen) en bepaald dat het hof te zijner tijd afzonderlijk uitspraak zal doen in de afgesplitste zaak, die vervolgens is geregistreerd onder parketnummer 20-002333-23. Het hof heeft de verdachte vervolgens in de zaak met het parketnummer 20-000365-20 veroordeeld zoals hiervoor onder 1.1 staat vermeld.
2.2
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft vervolgens bij arrest van 21 november 2024 de verdachte in de afgesplitste zaak (20-002333-23) wegens primair “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot veertien maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Tegen dit arrest is het cassatieberoep ingesteld met het genoemde nummer 24/04318.
2.3
De rechtbank Limburg heeft daarnaast bij uitspraak van 23 januari 2020 aan verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 720.000,00. Tegen deze uitspraak is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 21 november 2024 de uitspraak van de rechtbank Limburg vernietigd en aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 393.292,00. Tegen dit arrest is het cassatieberoep ingesteld onder het genoemde nummer 24/04137 P.
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 2.
3.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 4 juli 2017 tot en met 12 september 2017, in de gemeente [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan [A] B.V.”
3.3
Het hof heeft in het bestreden arrest in verband met het onder 2 bewezenverklaarde de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“Bewijsoverwegingen
Standpunt van de verdediging
(…)
Met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde:
De verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde, nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van het tenlastegelegde. Er zijn diverse scenario’s denkbaar die aan een bewezenverklaring in de weg staan.
(…)
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde: diefstal van elektriciteit
Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat - in verband met de daarmee gepaard gaande kosten en met oog op het voorkomen van ontdekking van het strafbare feit - voor het in werking hebben van een hennepkwekerij door “de exploitant” daarvan vrijwel steeds illegaal stroom wordt afgenomen. Dat er illegaal stroom werd afgenomen staat in onderhavige kwestie wel vast. De vraag is evenwel naar de rol van de verdachte hierbij. De verdachte heeft verklaard dat hij voor de stroomvoorziening van de hennepkwekerij gebruik heeft gemaakt van een reeds aanwezige stroomkabel en de gehele elektrische installatie van de hennepkwekerij zelf heeft aangesloten. Ook heeft hij verklaard dat hij heeft vastgesteld dat de kabel onder spanning stond.
Het hof is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat geen enkel weldenkend mens (dus ook de verdachte niet) werkzaamheden gaat verrichten aan een onder spanning staande elektriciteitskabel.
Er zijn dan twee mogelijkheden:
1. de verdachte heeft in de meterkast(en) getracht de elektriciteit af te sluiten en heeft vervolgens gecontroleerd of de spanning van de kabel was, hetgeen niet het geval kon zijn omdat de elektriciteit niet via een van de meterkasten liep, zodat hij na het verrichten van die handelingen wist dat de elektriciteit voor de hennepkwekerij wederrechtelijk werd verkregen, of
2. de verdachte heeft niet getracht in de meterkast(en) de elektriciteit af te sluiten omdat hij wist dat de elektriciteit niet via een van de meterkasten liep en wederrechtelijk werd verkregen.
Het kan naar het oordeel van het hof dan ook niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat de elektriciteit illegaal werd afgenomen en dat hij zich aan de diefstal van elektriciteit schuldig heeft gemaakt, zoals bewezen is verklaard.
Tegen de achtergrond van vorenstaande behoeven de door de verdediging geschetste alternatieve scenario’s dan ook geen bespreking.
Het verweer faalt.”
3.4
De steller van het middel keert zich niet tegen de bewijsredenering in zijn geheel, maar enkele tegen het daarvan deel uitmakende oordeel van het hof dat “het een feit van algemene bekendheid is dat geen enkel weldenkend mens (dus ook de verdachte niet) werkzaamheden gaat verrichten aan een onder spanning staande elektriciteitskabel”. Dit oordeel acht de steller van het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
3.5
Op grond van artikel 339 lid 2 Sv behoeven feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs. Van algemene bekendheid zijn die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. Voor algemene ervaringsregels geldt hetzelfde. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het in de regel om gegevens waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.3.
3.6
Ter weerlegging van het verweer dat de verdachte niet wist dat de door hem gebruikte, reeds aanwezige stroomkabel buiten de meter om liep, heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de gehele elektrische installatie van de hennepkwekerij zelf heeft aangesloten. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat dat hij heeft waargenomen dat de kabel onder spanning stond. In het licht hiervan acht ik ’s hofs oordeel dat “het een feit van algemene bekendheid is dat geen enkel weldenkend mens (dus ook de verdachte niet) werkzaamheden gaat verrichten aan een onder spanning staande elektriciteitskabel” niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat algemeen bekend is dat bij het uitvoeren van werkzaamheden aan een onder spanning staande elektriciteitskabel gevaar voor onder andere elektrocutie en ernstige brandwonden bestaat. Dat zijn feiten en omstandigheden waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.
3.7
In het licht daarvan zie ik niet in dat het begrip “weldenkend mens” nadere uitleg van het hof behoefde, zoals in het middel nog is aangevoerd. In de overwegingen van het hof ligt verder besloten dat het de verdachte als een weldenkend mens heeft aangemerkt. Dit oordeel wordt in cassatie niet betwist.
3.8
Het eerste middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 4 primair.
4.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 primair bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen, omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 augustus 2017, in Nederland, meerdere huurcontracten en overeenkomsten te weten:
- een huurcontract loods 375 m2 [a-straat 1] [plaats] d.d. 31-12-2012 op naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en
- een huurcontract uitbreiding op 01-04-2014 te [plaats] d.d. 01-04-2014 op naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en
- een huurovereenkomst [B] en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW [b-straat 1] , [plaats] kadaster sectie H nr. 102, op naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en
- een huurovereenkomst Kantoorruimte, [c-straat 1] , [geboorteplaats] 40 m2 op naam van [betrokkene 3]
zijnde geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij verdachte toen aldaar telkens valselijk in die contracten en overeenkomsten onjuiste huurdersgegevens vermeldt in die zin dat voornoemde huurders geen huurcontracten en overeenkomsten hadden afgesloten met verdachte, zulks telkens met het oogmerk om die contracten en overeenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;”
4.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“Bewijsmiddelen ter zake van feit 4 (valsheid in geschrift)
(…)
10. Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof 'sHertogenbosch d.d. 15 augustus 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
U houdt mij de in de tenlastelegging genoemde huurcontracten en overeenkomsten, alsmede de in de tenlastelegging genoemde namen voor. U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat de loods aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verhuurd is geweest. U houdt mij voor dat ik ten overstaan van de rechtbank heb verklaard dat ik deze huurcontracten heb opgesteld. Dat is juist, ik heb deze huurcontracten zelf opgesteld. Zulks geldt ook met betrekking tot het aanvullend huurcontract.
Huurcontract loods [a-straat 1] [plaats] en een huurcontract uitbreiding op naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [b-straat 1] [plaats]
11. Het huurcontract d.d. 31 december 2012 (bijlage 43-5 bij ‘proces-verbaal deelonderzoek loods [a-straat 1] te [plaats] ', p. 388-392), waarvan een kopie is aangehecht aan dit arrest en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd;
Hof: in het contract (het hof: het hof begrijpt: een huurovereenkomst zoals bewezen is verklaard) staat - zakelijk weergegeven - dat tussen [vroegere naam verdachte] (hof: de verdachte; verhuurder), en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (het hof begrijpt steeds: [betrokkene 2]) een huurcontract is gesloten en dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met ingang van 1 januari 2013 de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] (375 m2) huren van de verdachte voor onbepaalde tijd voor een (totaal)bedrag van € 2.200,00 per maand. In het contract staat het ING-rekeningnummer van de verdachte ( [… ] ). Het huurcontract is ondertekend door de verdachte en er zijn handtekeningen geplaatst bij namen van de huurders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
12. Uitbreiding huurcontract d.d. 1 april 2014 (bijlage 43-6 bij ‘proces-verbaal deelonderzoek loods [a-straat 1] te [plaats] ', p. 395-400), waarvan een kopie is aangehecht aan dit arrest en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd;
Hof: in de uitbreiding huurcontract staat - zakelijk weergegeven - dat tussen [vroegere naam verdachte] (hof: de verdachte; verhuurder) en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (het hof begrijpt steeds: [betrokkene 2]) een aanvullend huurcontract is gesloten en dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met ingang van 1 april 2014 twee buitenterreinen huren van de verdachte voor onbepaalde tijd voor een (totaal)bedrag van € 2.050,00 per maand. In het contract staat het ING-rekeningnummer van de verdachte ( [… ] ). Het huurcontract is ondertekend door de verdachte en er zijn handtekeningen geplaatst bij de namen van de huurders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
13. Het huurcontract d.d. 13 maart 2017 (bijlage 44-4, bij ‘proces-verbaal deelonderzoek [b-straat 1] te [plaats] ’, p. 500-505), waarvan een kopie is aangehecht aan dit arrest en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd);
Hof: in het contract staat - zakelijk weergegeven - dat tussen [B] B.V. (verhuurder), vertegenwoordigd door [vroegere naam verdachte] (hof: de verdachte), en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (het hof begrijpt steeds: [betrokkene 2]) een huurcontract is gesloten en dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met ingang van 1 april 2017 de bedrijfsruimte aan de [b-straat 1] te [plaats] (aangeduid als “en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW [b-straat 1] , [plaats] kadaster sectie H nr. 102”) huren van [B] B.V. voor de duur van 5 jaren voor een bedrag van € 45.000,00 per jaar (€ 3.7500,00 per maand). Het huurcontract is ondertekend door de verdachte, namens [B] B.V. en er zijn handtekeningen geplaatst bij de namen van de huurders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
14. De eigen waarneming van het hof van de kopie van de identiteitskaarten (bijlage bij ‘proces-verbaal deelonderzoek loods [a-straat 1] te [plaats] ', op p. 394 en p. 401; respectievelijk bijlage bij ‘proces-verbaal deelonderzoek [b-straat 1] te [plaats] ' op p. 506), voor zover inhoudende:
Het hof neemt op p. 394, p. 401 en p. 506 een kopie waar van identiteitskaarten op naam van [betrokkene 1] met [ID-kaartnummer 1] en [betrokkene 2] met [ID-kaartnummer 2] .
15. Het geschrift inhoudende informatie van Interpol Warsaw d.d. 17 oktober 2017 (bijlage 44-15, p. 530), voor zover inhoudende:
De ID van [betrokkene 2] met [ID-kaartnummer 2] is op 26 september 2011 en de ID van [betrokkene 1] met [ID-kaartnummer 1] is op 20 oktober 2010 als verloren geregistreerd (in Polen).
16. Proces-verbaal van getuigenverhoor van [betrokkene 1] d.d. 21 december 2017 (bijlage 43-14, p. 459-464), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
(p. 460) Vraag: Wat is er precies gebeurd met uw identiteitskaart met [ID-kaartnummer 1] ? Antwoord: Dat is mijn oude identiteitskaart. Ik heb dat ID beslist niet meer.
Vraag: Wat voor werk hebt u en hoeveel verdient u?
Antwoord: Ik heb een pensioen en ik werk nergens. Ik ontvang maandelijks pensioen van ongeveer 1.200 zloty (het hof begrijpt: ongeveer 270 euro).
Vraag: Bent u in de periode van 01.01.2013 tot 01.08.2017 in Nederland geweest?
Antwoord: Ik ben nooit van mijn leven in Nederland geweest.
Vraag: Kent u [vroegere naam verdachte] uit [plaats] (Nederland)?
Antwoord: ik ken die persoon niet, ik heb geen idee waar [plaats] ligt. Ik hoor die plaatsnaam en naam voor het eerst.
Vraag: Hebt u van [vroegere naam verdachte] een loods/terrein gehuurd aan de [a-straat 1] in [plaats] , en later een landbouwbedrijf aan de [b-straat 1] in [plaats] ?
Antwoord: Ik heb niets gehuurd van [vroegere naam verdachte] , ik ken die persoon niet en die plaatsnamen zeggen mij helemaal niets.
17. Proces-verbaal van getuigenverhoor van [betrokkene 2] d.d. 20 december 2017 (bijlage 43-14, p. 465-468) voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :
De identiteitskaart met serienummer [ID-kaartnummer 2] ben ik vijf jaar geleden verloren. Ik ben toen een portefeuille kwijtgeraakt met geld en met die identiteitskaart. In de periode van 1 januari 2012 tot 1 augustus 2017 ben ik niet in Nederland geweest. Ik ken geen [betrokkene 1] . Ik hoor die naam voor het eerst. Ik ken ook geen [vroegere naam verdachte] uit [plaats] in Nederland. Ik heb van die persoon geen loods of terrein gehuurd aan de [a-straat 1] in [plaats] , noch een agrarisch bedrijf in [plaats] , aan de [b-straat 1] . Aangezien ik die man niet ken en niets van hem gehuurd heb, kan ik hem ook geen huur betaald hebben.
[c-straat 1] [geboorteplaats]
18. De huurovereenkomst d.d. 1 december 2015 (p. 775-791), waarvan een kopie is aangehecht aan dit arrest en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd;
Hof: in de overeenkomst staat - zakelijk weergegeven - dat tussen [vroegere naam verdachte] en [betrokkene 3] vertegenwoordigd door [C] een huurovereenkomst is gesloten en dat [betrokkene 3] met ingang van 1 december 2015 de kantoorruimte aan de [c-straat 1] te [geboorteplaats] (40 m2) huurt van de verdachte voor onbepaalde tijd voor een bedrag van € 15.000,00 per jaar. Het huurcontract is ondertekend door de verdachte en er is een handtekening geplaatst bij de huurder [betrokkene 3] .
19. Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 3] d.d. 19 september 2017 (bijlage 475, p. 770-773), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :
(p. 771)
V: Onder de naam [C] is een pand gehuurd. Wij tonen nu jou een foto van het pand [c-straat 1] in [geboorteplaats] . Herken jij dit pand?
A: Nee. Ik kom nooit buiten [plaats] . Dit zegt mij niets.
V: Ben jij de huurder van dit pand?
A: Nee. Wie zegt dat?
V: [vroegere naam verdachte] .
A: Ik ken die man helemaal niet.
V: Heb jij ooit een huurcontract ondertekend?
A: Nee.
V: Wij tonen jou nu een huurovereenkomst van de [c-straat 1] in [geboorteplaats] . Hier zou jouw handtekening onder staan. Herken jij deze handtekening?
A: Nee, dat is mijn handtekening niet.
(p. 772)
V: Wij tonen jou nu een handtekening op een kwitantie. Daar staat dezelfde handtekening op als op het huurcontract. Deze kwitantie geeft aan dat je over de maanden mei, juni en juli contant geld hebt gegeven aan [vroegere naam verdachte] . Wat kun je hierover verklaren?
A: Dat is niet mijn handtekening. Ik heb nooit contant geld aan hem gegeven. Ik ken hem niet.
20. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2018 (p. 753-763) voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(p. 754)
Door ons werd een nader onderzoek ingesteld naar perceel [c-straat 1] te [geboorteplaats] waarbij werd vastgesteld dat het perceel [c-straat 1] niet bestaat. Bij navraag bij de Gemeente [geboorteplaats] werd bevestigd dat het adres [c-straat 1] geen GBA-adres is en dat het geen vestigingsadres voor personen en/of bedrijven is. Ook bleek perceel [c-straat 1] te [geboorteplaats] kadastraal niet te bestaan.
(p.755)
Op 8 mei 2017 was het rolluik van het gefingeerde adres [c-straat 1] geopend. De ruimte bleek wanden te hebben alsmede een deur via welke de zonnestudio kon worden betreden. In de ruimte stonden enkele kantoorkasten. In de ruimte vonden géén activiteiten plaats. Er waren in het geheel géén goederen/materialen aanwezig welke in verband konden worden gebracht met (steiger-) houthandel. De oppervlakte van de ruimte achter het rolluik werd door ons geschat op ongeveer: 4x4 meter = 16m2. Het spreekt voor zich dat in deze uiterst beperkte ruimte geen activiteiten van een groothandel in hout, plaatmaterialen en steigerplanken plaats kunnen vinden.
(p. 756)
Perceel [c-straat 1] te [geboorteplaats] bestaat in werkelijkheid niet doch betreft een ruimte die deel uit maakt van het door [vroegere naam verdachte] ten behoeve van de exploitatie van diens zonnestudio gehuurde perceel [d-straat 1] te [geboorteplaats] .”
4.4
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“Met betrekking tot het onder feit 4 tenlastegelegde: valsheid in geschrift
Het hof heeft acht bewezen dat de verdachte - kort gezegd - huurcontracten en huurovereenkomsten opzettelijk valselijk heeft opgemaakt. Die valsheid bestond hierin dat in strijd met de waarheid op de voornoemde geschriften werd gemeld dat sprake was van huurders, terwijl voornoemde huurders geen huurcontracten en overeenkomsten met de verdachte hadden gesloten. Het hof verwerpt het verweer in zoverre.
Het hof stelt vast dat de verdachte met betrekking tot tenlastegelegde huurcontracten heeft verklaard dat hij deze documenten zelf heeft opgemaakt.
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , samengevat inhoudende dat zij de verdachte niet kennen en geen loods en/of ruimte van hem hebben gehuurd. Zij hebben daarbij immers geen enkel belang. De verdediging heeft overigens de juistheid en betrouwbaarheid van die verklaringen niet betwist. De andersluidende verklaring van de verdachte vindt derhalve zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.
De raadsman heeft nog het scenario geopperd dat volgens hem moet leiden tot de conclusie dat andere personen zich telkens valselijk als de personen zoals genoemd in de tenlastelegging hebben voorgedaan tegenover de verdachte. Dit scenario, op de keper beschouwd niet meer inhoudende dan de theoretische mogelijkheid dat anderen zich telkens op voormelde wijze hebben voorgedaan, acht het hof niet alleen zeer onwaarschijnlijk (te meer daar het feit mede ziet op personen die in Polen woonachtig zijn, elkaar niet kennen en uit het dossier blijkt dat hun identiteitsbewijzen - waarvan kopieën aan de huurcontracten zijn gehecht - in Polen als verloren zijn geregistreerd), maar voor dit scenario is bovendien geen enkel objectief aanknopingspunt in het dossier te vinden. Ook de verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep dat hij de personen van de identiteitskaarten bij het ondertekenen van de verschillende geschriften steeds zelf heeft gezien, aan welke verklaring het hof gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen overigens geen geloof hecht, ondergraaft dit geopperde scenario. Het hof stelt het scenario terzijde.”
4.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte het oogmerk had om de geschriften als echt onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
4.6
Het oogmerk van misleiding als bedoeld in art. 225 lid 1 Sr behelst de vraag of de verdachte de bedoeling had het valse of vervalste stuk als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Het in art. 225 Sr bedoelde oogmerk ziet slechts op het gebruik van het valse of vervalste geschrift en niet ook op de valsheid zelf. Dat oogmerk kan dus bestaan ongeacht de vorm van het opzet die ten aanzien van het valselijk opmaken of vervalsen wordt aangenomen.4.Niet vereist is dat het betreffende stuk daadwerkelijk (direct) wordt gebruikt.5.Het enkele valselijk opmaken of vervalsen van een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift met het oogmerk tot gebruik ter misleiding van derden, is in zoverre voor het aannemen van valsheid in geschrift al voldoende. In een Caribische zaak oordeelde de Hoge Raad dat voor het bewijs van het oogmerk tot gebruik het niet erop aankomt dat er derden in het spel moeten zijn die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Voldoende is dat de bedoeling voorzat tot gebruik van het geschrift dat in het maatschappelijk verkeer misleidend is doordat het vals is.6.
4.7
De steller van het middel voert terecht aan dat een dergelijk oogmerk niet volgt uit de bewijsvoering van het hof. Die hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Het hof heeft namelijk in de met de onderhavige zaak samenhangende zaak 20-002333-23 bij arrest van 21 november 2024 de verdachte wegens het onder 3 primair bewezenverklaarde “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot veertien maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft in dat arrest van 21 november 2024 vastgesteld dat de verdachte ten aanzien van de witwasverdenking het standpunt heeft ingenomen dat de bij hem aangetroffen contante gelden inkomsten zouden zijn afkomstig uit de verhuur van panden. Het hof heeft in die zaak verder geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de in de onderhavige zaak bedoelde valselijk opgemaakte huurovereenkomsten heeft gebruikt om te verhullen dat sprake was van een niet legale geldstroom en dus uit enig misdrijf afkomstige gelden.7.In die zaak concludeer ik vandaag tot verwerping van het cassatieberoep. Dat betekent dat de verdachte geen belang heeft bij vernietiging van de onderhavige uitspraak, nu uit de bewijsmotivering in de samenhangende zaak volgt dat de verdachte het oogmerk had de valse geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.
5. Afronding
5.1
Het eerste middel faalt en het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Beide middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen tot strafvermindering dient te leiden.
5.3
Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegd straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2025
Op 11 augustus 2025 is het cassatieberoep partieel ingetrokken voor zover het betrekking heeft op de vrijspraak van de onder 2 tenlastegelegde periode van 1 oktober 2016 tot 4 juli 2017.
HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, rov.2.4 en HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:44, rov. 2.3.
HR 12 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1033 en HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7960.
HR 3 juni 1969, NJ 1969/407 en HR 25 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1628, rov. 5.5.
HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7960.