Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.1.4
3.1.4 Lichamelijke zaak
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645335:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Land II (1901), p. 12. Zaken die buiten de handel waren geplaatst, waren bijvoorbeeld de res publicae, zoals vestingwerken, wegen en snelwegen die toebehoorden aan de Staat. Er bestond wel discussie of deze zaken inderdaad volledig buiten de handel waren geplaatst: zie Land II (1901), p. 46 e.v..
De Hoge Raad oordeelde in het “Elektriciteitsarrest” dat een lichamelijke zaak niet per se stoffelijk hoefde te zijn. Hij stelde dat elektriciteit was aan te merken als een aan een ander toebehorend “enig goed”. Zo was degene die zich de elektriciteit wederrechtelijk had toegeëigend aansprakelijk wegens diefstal, HR 23 mei 1921, ECLI:NL:HR:1921:186 (Elektriciteit): “(…) dat toch deze energie, al moge hare aanwezigheid slechts vastgesteld kunnen worden in verbinding met een lichamelijke zaak, door menschelijk toedoen op een andere zaak kan overgebracht worden en zelfs geaccumuleerd kan worden; dat zij voorts door toedoen van den mensch kan opgewekt worden en ter beschikking kan blijven van hem, die haar opwekte; dat zij voor deze een zekere waarde vertegenwoordigt, eenerzijds omdat hare verkrijging voor hem gepaard ging met kosten en moeite, anderzijds omdat hij in staat is haar, hetzij ten eigen bate te gebruiken, hetzij tegen vergoeding aan anderen over te dragen.” Zie ook: Asser/Scholten (1945), p. 3; Suijling V (1940), p. 35 e.v.
Asser/Scholten (1945), p. 8.
Suijling V (1940), p. 36.
Asser/Scholten (1945), p. 3.
Asser/Scholten (1945), p. 4; Suijling V (1940), p. 35-37.
Asser/Beekhuis (1957), p. 30-31.
Suijling V (1940), p. 37-38; Land II (1901), p. 15.
De lichamelijke zaken waren alle stoffelijke zaken, behalve de goederen die buiten het rechtsverkeer waren geplaatst.1 Een lichamelijke zaak was stoffelijk, dat wil zeggen voor menselijke beheersing vatbaar. Vandaar dat de zon, de dampkring, de lucht en de zee geen zaken waren.2 Naast de stoffelijke zaken was ook het eigendomsrecht een lichamelijke zaak, ook al was dat eigenlijk een recht en dus onlichamelijk. Dat het eigendomsrecht toch werd geschaard onder de lichamelijke zaken, kwam omdat het eigendomsrecht in het spraakgebruik werd vereenzelvigd met de zaak waarop het rustte. Als iemand zijn huis of auto verkocht en leverde, dan werd in het dagelijkse taalgebruik gezegd dat hij het huis/de auto had overgedragen, terwijl het juister was om te zeggen dat hij het eigendomsrecht op het huis/de auto had overgedragen. Zoals Scholten aangaf “zou het schoolmeesterachtig zijn in het laatste geval te spreken van den eigendom van een huis (…)”.3 Vandaar dat het eigendomsrecht als een stoffelijke zaak werd beschouwd. Het spraakgebruik beïnvloedde zo de systematiek van het zakenrecht.
Een lichamelijke zaak moest een zekere waarde vertegenwoordigen. Een korrel zout of een dood takje voldeden daarom niet aan het juridische begrip zaak, hoewel zij beide stoffelijke objecten waren. Deze waarde hoefde niet per se een objectieve, dat wil zeggen een economische, waarde te zijn. Ook objecten die een affectiewaarde vertegenwoordigden waren zaken. Zo waren een brief, een foto of een lok haar allemaal lichamelijke zaken.4
Een ander kenmerk van een lichamelijke zaak was, dat zij door het recht als één geheel moest worden gezien.5 De zaak moest individualiseerbaar en bepaalbaar zijn. Wat het recht als één geheel beschouwde was echter niet altijd duidelijk, aangezien de verkeersopvatting bepaalde of er sprake was van een eenheid. Een roerende zaak, zoals een koe, een steen of een machine, was doorgaans als eenheid gemakkelijk te herkennen, aangezien een roerende zaak een eigen vorm en begrenzing had. Het recht knoopte voor wat een “zaak” was aan bij het spraakgebruik en de (verkeers)opvatting van het dagelijks leven.6 Een roerende zaak kon samengesteld zijn uit verschillende onderdelen. Niet vereist was dat de onderdelen van de zaak met elkaar waren verbonden. De doos en het deksel of een spel kaarten werden gezien als één zaak, hoewel ze toch niet met elkaar verbonden waren.7
Waar bij een roerende zaak de eenheid vaak zichtbaar was door de vorm en begrenzing van de zaak, was de individualisering van onroerende zaken minder makkelijk zichtbaar. Niet de vorm of ruimtelijke afscheiding bepaalde waar een perceel grond begon en eindigde, maar een door mensen gemaakte indeling. Een onroerende zaak dankte haar individualiteit aan het recht.8