Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/10.1
10.1 Inleiding
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS597356:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ktr Heerlen 15 juli 2009, JA 2009/159. In HR 16 mei 1986, NJ 1986/638 (Kuppers/WUH) speelde de eventuele geheimhoudingsplicht van de keuringsarts – wiens kennis verzekerde Kuppers wilde toerekenen aan hypotheekbank WUH – geen rol.
Medicus 1994, p. 14; Taupitz 1994, p. 19; Römmer-Collmann p. 195, Baum 1999, p. 275; Buck 2001, p. 483 e.v.; Drexl en Schöter in Hellman & Thomas 2002, p. 1671 resp. 1672-1673; Fassbender & Neuhaus 2002, p. 1256; Eisele & Faust in Schimansky/Bunte/Lwowski 2011, § 109, Rn. 116c; Weißhaupt 2013, p. 787. Ditzelfde geldt voor de Nederlandse auteurs Tjittes (2001, p. 48-49) en De Graaf (2000, p. 110).
Bott 2000, p. 222-226
Buck 2001, p. 482-492.
Buck 2001, p. 502-508.
Zoals die van Römmer-Collmann 1997, p. 194-195.
411. In het vorige hoofdstuk werd besproken dat van rechtspersonen verwacht mag worden dat zij hun interne communicatie en informatie-uitwisseling op behoorlijke wijze organiseren. Indien kennis versplinterd raakt als gevolg van een gebrekkige interne informatie-uitwisseling, komt de rechtspersoon in beginsel geen beroep toe op de onwetendheid van de voor hem handelende functionaris. Met andere woorden: de kennis van de wetende functionaris (of de in een informatiesysteem opgeslagen kennis) wordt dan aan de rechtspersoon toegerekend. Een rechtspersoon kan echter legitieme redenen hebben om de interne informatie-uitwisseling te beperken, bijvoorbeeld wanneer het doel daarvan is om te voorkomen dat de rechtspersoon of een van zijn medewerkers een geheimhoudingsplicht schendt. In dit hoofdstuk onderzoek ik een aantal rechtvaardigingsgronden voor het niet-delen van kennis: om welke redenen en in welke omstandigheden staan die in geval van kennisversplintering een toerekening van kennis aan de rechtspersoon in de weg? Uitgangspunt is hier, net als in het vorige hoofdstuk, dat vaststaat dat de handelende functionaris het voor de zaak relevante feit niet kende.
Ik behandel hierna de volgende grondslagen voor het beperken van informatie-uitwisseling:
commuun strafrecht (beroeps- en bedrijfsgeheim);
bescherming van persoonsgegevens;
financieel recht (Chinese walls);
contractuele geheimhoudingsbedingen;
ongeschreven normen over gevoelige informatie.
Geheimhoudingsplichten kunnen zowel rusten op de rechtspersoon als op een functionaris persoonlijk, zoals op een (bedrijfs)arts, advocaat of notaris. De functionaris kan een geheimhoudingsplicht hebben in zijn hoedanigheid van functionaris van de rechtspersoon (werknemer van een advocatenkantoor), maar ook in een andere hoedanigheid (oud-werknemer van een ander advocatenkantoor). In dit hoofdstuk komen alleen situaties van het eerstgenoemde type aan de orde. Gevallen waarin de wetende functionaris in een andere hoedanigheid een geheimhoudingsplicht heeft, behandel ik in hoofdstuk 11.
412. Het doel van dit hoofdstuk is vooral om te schetsen in welk kader een beroep van de rechtspersoon op een legitieme beperking van de informatie-uitwisseling moet worden gezien: hoe zal de rechtspersoon trachten de onwetendheid van de handelende functionaris te rechtvaardigen en wat maakt dat de rechtspersoon daarin kan slagen of juist niet? Welke belangen moeten worden meegewogen in de afweging die de rechter maakt? Hiermee reik ik handvatten aan om dergelijke gevallen te beoordelen, maar de materie wordt wel op een wat abstracter niveau behandeld dan in eerdere hoofdstukken. Dit vindt mede zijn oorzaak in het gebrek aan jurisprudentie over het onderwerp van dit hoofdstuk. Nederlandse jurisprudentie over gevallen van kennisversplintering waarin de rechtspersoon zich beriep op een toegestane beperking van de informatie-uitwisseling wegens een geheimhoudingsplicht is mij niet bekend. Ik vond één uitspraak van de kantonrechter Heerlen over een geval waarin een werknemer de kennis van een arbo-arts wilde toerekenen aan de werkgever. Volgens de kantonrechter stond de geheimhoudingsplicht van de arbo-arts aan die toerekening in de weg.1 De kennis van deze arbo-arts geldt echter als externe kennis, nu de arts geen functionaris van de werkgever was. Externe kennis valt buiten het bereik van dit onderzoek.
Ik behandel niet alle nuances van bijvoorbeeld de privacywetgeving of de wetgeving op het gebied van financieel recht. Niettemin zal ik wel in enig detail die wetgeving uiteen moeten zetten om duidelijk te kunnen maken in welke situaties een beperking van de informatie-uitwisseling überhaupt legitiem kan zijn.
Veel vergelijking met het Duitse recht bevat dit hoofdstuk niet. Bij mijn weten bestaat er geen rechtspraak van het BGH over de invloed van legitieme beperkingen van de interne informatie-uitwisseling op de toerekening van kennis aan rechtspersonen in geval van kennisversplintering. In de Duitse juridische literatuur over toerekening van kennis wordt weinig ingegaan op de wetgeving die aanleiding geeft tot een beperking van kennisuitwisseling. Veel auteurs vinden dat geheimhoudingsplichten, de bescherming van persoonsgegevens en regels op het gebied van financieel toezicht in de weg kunnen staan aan kennistoerekening, maar meestal blijft het bij die constatering.2 Alleen Bott3 en Buck4 schrijven met enige diepgang over de grenzen die de bescherming van persoonsgegevens stelt aan kennistoerekening wanneer zich een geval van kennisversplintering voordoet. Buck wijdt daarnaast overwegingen aan Chinese walls in het kader van kennistoerekening.5 Hun analyses zijn echter toegespitst op de Duitse equivalenten van de Wbp (Bundesdatenschutzgesetz) respectievelijk de Wft (Wertpapierhandelsgesetz) rond de eeuwwisseling. Dat levert voor het Nederlandse recht niet direct bruikbare inzichten op: een rechtsvergelijking zou grotendeels neerkomen op een vergelijking tussen de Nederlandse en Duitse wetgeving op het gebied van bescherming van persoonsgegevens en financieel toezicht en zou daarmee het doel van dit hoofdstuk voorbijschieten. Datzelfde geldt voor analyses van Duitse auteurs over de invloed van Duitse strafrechtelijke bepalingen inzake geheimhoudingsplichten op de toerekening van kennis. Die analyses betreffen overigens vooral hetgeen ik aanduid met ‘hoedanigheidsproblematiek’ (zie hoofdstuk 11).6 Opinies van Duitse auteurs zullen dan ook voornamelijk vermeld worden waar die betrekking hebben op meer algemene kwesties.
Tot slot een korte toelichting op de terminologie. Ik gebruik de term legitieme beperking van de informatie-uitwisseling voor een beperking die begrijpelijk of te billijken is. Dat de beperking legitiem is, is noodzakelijk, maar niet voldoende voor het afweren van het beroep van de wederpartij op toerekening van kennis. De term legitiem past bij de beschrijving van de keuzes die de rechtspersoon maakt in zijn beleid ten aanzien van kennisdeling. De term gerechtvaardigde beperking reserveer ik voor de beoordeling van het concrete geval ‘achteraf’. De gerechtvaardigdheid van een beperking is noodzakelijk én voldoende ter afwering van het beroep van de wederpartij op toerekening van kennis.