Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.3.1
10.3.1 Vergunning is een vermogensrecht
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS388284:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
De omgevingsvergunning ziet op plaatsgebonden projecten die invloed hebben op het fysieke leefmilieu. Een project kan bestaan uit meer activiteiten, zoals de sloop van een kantoorpand, de kap van een boom en de bouw van een nieuw kantoorpand. De omgevingsvergunning is in de plaats gekomen van onder andere de milieuvergunning, de bouwvergunning en de (gemeentelijke) kapvergunning (art. 2.1 lid 1 Wabo). Deze laatste vergunningen zijn in de omgevingsvergunning geïntegreerd. Zie over de omgevingsvergunning Boeve, Groothuijse & Uylenburg 2010.
Knijff 2003 gebruikt de term vergunning in ruime zin. Eronder vallen onder andere ontheffingen, productiequota en concessies. Ik sluit me aan bij deze ruime opvatting.
Zie bijvoorbeeld Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/3; Universiteit Utrecht 2002, p. 5-6. Zie voor een bespreking van nationale en internationale arresten waaruit dit blijkt: Knijff 2003, p. 203-208. Zie ook Mathey-Bal 2011.
Rb. Alkmaar 20 april 1976, NJ 1977/135 (Witlou/Res).
EHRM 23 oktober 1985, 8848/80, punt 36 (Benthem/Nederland).
De Valk 2009, p. 17.
Tot de vennootschappelijke gemeenschap kunnen ook publiekrechtelijke rechten behoren, zoals de omgevingsvergunning1 in verband met de voorgenomen verbouwing van het bedrijfspand en verworven productiequota zoals een melkquotum. Een vergunning2 (een als faciliteit van de overheid toegekend persoonlijk recht3) voldoet al snel aan de criteria voor ‘vermogensrecht’ als bedoeld in art. 3:6 BW, in het bijzonder aan het criterium dat het recht ertoe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen. De Rechtbank Alkmaar omschreef de bouwvergunning in Witlou/Res als onstoffelijk vermogensrechtelijkobject dat privaatrechtelijk een bestanddeel uitmaakt van het vermogen van de vergunninghouder.4 Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan een vergunning een ‘proprietary character’ hebben als de vergunning een van de voorwaarden is voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten en intrekking van de vergunning onder andere negatieve gevolgen heeft voor de waarde van het bedrijf.5 De waarde van een vergunning kan grote invloed hebben op de vaststelling van de economische deelgerechtigdheid van de vennoten. Een braakliggend terrein kan bijvoorbeeld veel meer waard worden als er een omgevingsvergunning voor is afgegeven en ook zal de ondernemersvergunning van een taxibedrijf een niet geringe waarde vertegenwoordigen. Bij verdeling van een huwelijksgemeenschap tussen een vennoot en zijn partner en bij uittreding van een vennoot moet dus rekening gehouden worden met de waarde van de vergunning.
Om vast te kunnen stellen of en hoe een vergunning kan overgaan op een rechtsopvolger, dient men na te gaan wie rechthebbende is van de vergunning en of de vergunning vatbaar is voor overgang. Privaatrechtelijke regels van vermogensrecht volstaan hier vaak niet. Privaatrechtelijk kan een VOF bijvoorbeeld geen eigenaar zijn, maar aan deze regel acht het bestuursrecht zich niet gebonden. Anders gezegd: in het bestuursrecht wordt een ander begrip rechtssubject gebruikt dan in het privaatrecht.6 De privaatrechtelijke verhoudingen aan de zijde van de vergunninghouder zijn echter niet zonder betekenis: als de vergunning ‘privaatrechtelijk toekomt’ aan de gezamenlijke vennoten, dan maakt de vergunning als vermogensrecht deel uit van de vennootschappelijke gemeenschap en heeft haar waarde invloed op de economische deelgerechtigdheid van de vennoten. Soms wordt een overgang geregeerd door privaatrechtelijke regels.