Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.5.5.1
IX.3.5.5.1 De betekenis van art. 3:9 lid 4 BW (I)
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS358806:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het vruchtbegrip: Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 76; Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 15 en Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 43.
Zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 96, waar wordt opgemerkt dat “het recht op nog niet vervallen burgerlijke vruchten kan worden overgedragen door cessie bij voorbaat van de toekomstige vorderingen ter zake van deze vruchten”. Zie verder: Parl. Gesch. Boek 6, p. 531 en p. 533. Zie ook: Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 77; Van Gaalen 2001, p. 194 en p. 201; Westrik 1993, p. 979 en Megchelsen 1994, p. 173.
En in het bijzonder aan de Toelichting Meijers, zie TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 94 en de hiernavolgende noot.
Zie ook de Toelichting Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, p. 94, waar wordt opgemerkt: “In overeenstemming met het geldende recht bepaalt het vierde lid, dat een natuurlijke vrucht een zelfstandig goed wordt door haar afscheiding, een burgerlijke vrucht door haar opeisbaar worden. Het vijfde lid dat uiteindelijk is geschrapt, MHER. laat toe, dat over toekomstige vruchten, dat wil zeggen omtrent vruchten, die volgens het vorige lid, nog niet zelfstandige goederen zijn, reeds afzonderlijk wordt beschikt. Ook in het tegenwoordige recht wordt een zodanige beschikking voor nog niet verschenen burgerlijke vruchten toegelaten; zie H.R. 15 maart 1940, N.J. 1940 no. 848 (…)”. In het arrest de Boer/Haskerveenpolder oordeelde de Hoge Raad nog dat huurvorderingen bestaande vorderingen zijn. De Toelichting Meijers lijkt derhalve het begrip “toekomstige vrucht” niet te gebruiken in de zin van “toekomstig recht”, althans als het een burgerlijke vrucht betreft. Met de aanduiding “toekomstig” lijkt de toelichting enkel te bedoelen dat de vrucht nog niet opeisbaar is, zodat zij nog niet een zelfstandig goed is. De toelichting laat zich wat betreft de burgerlijke vruchten niet uit over de vraag of het een bestaand of toekomstig recht is.
Zie Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 8.
Zie TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 94.
Art. 557 BW (oud) luidde als volgt: “De burgerlijke vruchten worden alleen geacht een gedeelte der zaak uit te maken, zoo lang dezelve niet opeischbaar zijn; behoudens de bijzondere wetsbepalingen en overeenkomsten”.
Zie de arresten SOS/ABN (NJ 1982, 615) en WUH/Emmerig q.q. (NJ 1987, 530) waaruit blijkt dat vorderingen waarvan de opeisbaarheid afhankelijk is van het verstrijken van een tijdsbepaling of het in vervulling gaan van een voorwaarde als bestaande vorderingen kunnen worden aangemerkt.
Een cessie of verpanding van een toekomstige vordering ter zake van een burgerlijke vrucht kan in geval van het faillissement van de cedent de boedel immers niet worden tegengeworpen (art. 35 lid 2 Fw). Bedacht moet worden dat het tijdstip van opeisbaar worden van de burgerlijke vrucht en het moment van de voldoening door de schuldenaar (bv. een huurder) snel op elkaar kunnen volgen, zodat de vordering ter zake van de vrucht slecht een korte levensduur heeft. Dit maakt de vordering minder geschikt als object van handel en zekerheidsverschaffing.
Zie Pitlo/Brahn 1987, p. 16 en p. 17. Vgl. Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 43.
Het recht op rente zou men kunnen zien als behorende tot de hoofdvordering. Voor het opeisbaar worden van een rentetermijn is er sprake van een enkele vordering die de schuldeiser recht geeft op betaling van zowel hoofdsom als rente. Aldus: Suijling II-1 1934, nr. 235, alsmede Suijling V 1940, nr. 71, waar wordt opgemerkt dat de cessie van een rentetermijn voor de vervaldatum moet worden beschouwd als een partiële cessie van de rentedragende vordering. Vgl. ook: Verpaalen 1964, p. 51-52.
Zo ook: Hoorweg 1939, p. 511. Vgl. reeds: Diephuis III 1857 en Meijers 1924, p. 287-288.
Anders: Pitlo/Brahn 1987, p. 17 en Megchelsen 1994, p. 173, noot 2.
Zie HR 15 maart 1940, NJ 1940, 848, m.nt. EMM, p. 1259-1260. Inmiddels heeft de Hoge Raad nog onder het oude recht in het arrest WUH/Emmerig q.q. geoordeeld, dat nog niet vervallen huurtermijnen toekomstige vorderingen zijn. Opvallend is dat de Hoge Raad voor dit oordeel geen beroep deed op art. 557 BW (oud).
Geheel zeker is dit niet, aangezien de overweging mogelijk moet worden gezien als een toepassing van de bestaansfictie van het Fijn van Draat-arrest. Dit zou kunnen betekenen dat voor de vraag of de huurtermijnen rechtsgeldig gecedeerd konden worden weliswaar mocht worden aangenomen dat de huurvorderingen tegelijk met het sluiten van de huurovereenkomst waren ontstaan, maar dat niettemin uit art. 557 BW (oud) volgde dat de huurvorderingen naar gemeen recht pas ontstonden op het moment van opeisbaar worden. Ik acht deze uitleg van de overwegingen van de Hoge raad echter niet waarschijnlijk, aangezien de Hoge Raad de overweging over het ontstaan van de huurvordering niet betrekt op haar cessabiliteit.
Zie TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 94, waar evenwel wordt gesproken over “toekomstige vruchten” ter aanduiding van vruchten die volgens het vierde lid nog geen zelfstandige goederen zijn. Zoals vermeld lijkt voor wat betreft burgerlijke vruchten met het begrip “toekomstig” te worden bedoeld: nog niet verschenen burgerlijke vruchten in de betekenis van “nog niet vervallen”. Daarmee is nog niets gezegd over de vraag of een burgerlijke vrucht voor haar opeisbaarheid een bestaand of een toekomstig recht is.
895. Voor haar opeisbaar worden is de burgerlijke vrucht een onzelfstandig recht, maar niet ook noodzakelijkerwijs een toekomstig recht. Bijzondere aandacht verdienen de rechten ter zake van burgerlijke vruchten. Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt (art. 3:9 lid 2 BW).1 Voorbeelden zijn huur- en pachttermijnen, het recht op rente en het recht op dividend. Art. 3:9 lid 4 BW bepaalt dat een burgerlijke vrucht een zelfstandig recht wordt door haar opeisbaar worden. De memorie van antwoord (en in navolging daarvan sommige schrijvers) verbindt hieraan de gevolgtrekking dat nog niet vervallen burgerlijke vruchten toekomstige goederen zijn.2 De memorie geeft daarmee een uitleg aan de bepaling3 waarvan kan worden afgevraagd of deze wel juist is. Naar de letter genomen volgt uit art. 3:9 lid 4 BW slechts dat de burgerlijke vrucht voor haar opeisbaar worden een onzelfstandig recht is en niet ook dat de vrucht een toekomstig goed is.4 Een onzelfstandig recht kan zeer wel een bestaand recht zijn; men zie de afhankelijke rechten als bedoeld in art. 3:7 BW.5
De vraag of het recht ter zake van een burgerlijke vrucht voor haar opeisbaarheid een reeds bestaand of een nog toekomstig goed is, lijkt niet door de bepaling te worden beantwoord. In de toelichting wordt opgemerkt dat art. 3:9 lid 4 BW overeenstemt met het oude recht.6 Voor wat betreft burgerlijke vruchten was art. 557 (oud) BW de evenknie van het bepaalde in art. 3:9 lid 4 BW.7 Uit het arrest De Boer/Haskerveenpolder kan worden afgeleid dat art. 557 (oud) BW niet met zich bracht dat burgerlijke vruchten voor hun opeisbaarheid zonder meer als toekomstige vorderingen dienden te worden beschouwd. In dit arrest werden huurvorderingen door de Hoge Raad namelijk nog als bestaande vorderingen aangemerkt. Art. 557 (oud) BW stond daaraan niet in de weg.
Bovendien valt het niet in te zien waarom voor vorderingen ter zake van burgerlijke vruchten zou moeten worden aangenomen dat zij pas ontstaan op het moment van opeisbaar worden, terwijl dit blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad niet het uitgangspunt is voor andersoortige vorderingen.8 Daarnaast is het ook een te rigide benadering die de cessie of verpanding van rechten ter zake van burgerlijke vruchten te zeer belemmert waardoor burgerlijke vruchten veel minder geschikt zijn om te verhandelen of om als onderpand te dienen voor een krediet. Een cessie of verpanding kan immers pas “faillissementsbestendig” plaatsvinden nadat de burgerlijke vrucht opeisbaar is geworden.9
Voor wat betreft natuurlijke vruchten doet art. 3:9 lid 4 BW vaststaan dat zij voor hun afscheiding bestanddelen zijn van de zaak die de vrucht voortbrengt (vgl. ook de artikelen 5:17 BW en 35 lid 2 Fw). Hiermee heeft de wetgever duidelijkheid geschapen over de goederenrechtelijke status van natuurlijke vruchten. Voor de afscheiding leidt de natuurlijke vrucht goederenrechtelijk geen zelfstandig bestaan, maar moet zij worden aangemerkt als een toekomstig goed.
Met betrekking tot de burgerlijke vruchten moet de ratio van de regel van art. 3:9 lid 4 BW eveneens worden gevonden in de duidelijkheid die daarmee wordt gecreëerd over de goederenrechtelijke status van de burgerlijke vrucht. Naar analogie met natuurlijke vruchten zou men ten aanzien van burgerlijke vruchten dan evenzeer kunnen oordelen dat zij voor hun opeisbaarheid als onderdeel (“bestanddeel”) moeten worden beschouwd van het vruchtdragende goed en zodoende moeten worden aangemerkt als toekomstige rechten.10 Daar waar het vruchtdragende goed zelf een vorderingsrecht is, bijvoorbeeld een rentedragende vordering, valt deze redenering nog te verdedigen.11 Indien het vruchtdragende goed daarentegen een zaak is, is zij evenwel onhoudbaar. Wat dient men zich voor te stellen bij huur- en pachttermijnen als bestanddeel van een verhuurde of verpachte zaak? Een bestanddeel is immers, evenals de hoofdzaak waarvan het een onderdeel is, stoffelijk van aard (art. 3:4 jo 3:2 BW). Wel zou men kunnen betogen dat uit de analogie met natuurlijke vruchten volgt dat rechten ter zake van burgerlijke vruchten pas ontstaan door hun opeisbaar worden.
Toch moet deze laatste opvatting naar mijn mening worden verworpen. Artikel 557 (oud) BW gaf in dit opzicht beter weer waar het om gaat. De bepaling luidde als volgt: “De burgerlijke vruchten worden alleen geacht [mijn cursivering] een gedeelte der zaak uit te maken, zoo lang dezelve niet opeischbaar zijn; behoudens de bijzondere wetsbepalingen en overeenkomsten”. Uit het woordje “geacht” blijkt dat de regel dat burgerlijke vruchten voor hun opeisbaarheid een “gedeelte der zaak” uitmaakten, een juridische fictie betrof.12 Deze juridische fictie bracht echter niet met zich dat burgerlijke vruchten voor hun opeisbaarheid zonder meer als toekomstige rechten hadden te gelden.13 Dit blijkt uit het arrest De Boer/Haskerveenpolder waarin de Hoge Raad overwoog dat door het sluiten van een huurovereenkomst voor de huurder een verbintenis ontstaat tot betaling van de overeengekomen huurtermijnen, waarmee voor de verhuurder een vorderingsrecht correspondeert waarvan hij tot de cessie de enige gerechtigde is en waarover hij ten volle kan beschikken door alle termijnen over te dragen aan een derde. Art. 557 (oud) BW zou, aldus de Hoge Raad, daaraan niet in de weg staan, aangezien de bepaling niet meer dan een regel van uitleg bevat die geenszins belette dat een schuldeiser een burgerlijke vrucht tot een “zelfstandige zaak” kon maken door haar aan een derde te cederen.14 Uit deze overwegingen lijkt te volgen dat volgens de Hoge Raad de huurvordering reeds voor haar opeisbaarheid een bestaand, maar onzelfstandig recht is. Indien art. 557 (oud) BW zou impliceren dat burgerlijke vruchten voor hun opeisbaar worden per definitie toekomstige vorderingen zijn, dan had de Hoge Raad niet tot de uitspraak kunnen komen die hij heeft gegeven.15 In de toelichting bij art. 3:9 BW wordt opgemerkt dat het bepaalde in het vierde lid overeenstemt met het oude recht.16 De uitleg die onder het oude recht werd gegeven aan art. 557 (oud) BW blijft zodoende ook voor het huidige recht van belang. Aan de opmerking in de MvA dat nog niet vervallen burgerlijke vruchten als toekomstige rechten bij voorbaat dienen te worden geleverd, komt naar mijn mening dan ook geen beslissende betekenis toe.