Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/5.5.4
5.5.4 Verbintenissen als gevolg van uitloving
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS377975:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1162 (MvA I Inv.); Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:220 BW, aant. 7, Y.G. Blei Weissmann. Deze opvatting vindt ook navolging in België, Laurent 1878, p. 544, en Frankrijk, De la Moutte 1951, p. 249-250; Mazeaud, Mazeaud en Chabas 1998, p. 354; Rieg 1961, p. 451. In Engeland wordt de uitloving gezien als een aanbod tot een unilateral contract, Gordley 2001, p. 311; Treitel 2011, para 2-10.
Eggens 1953, p. 223, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/171; Schoordijk 1979, p. 482.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 886 (TM); Hof Den Bosch 11 augustus 1993, NJ 1994/354; Asser/Van Goudoever III 1913, p. 271 e.v.; Land/Lohman 1907, p. 174; Suijling 1925, p. 16. Vgl. ook HR 14 juni 1929, NJ 1929/1611. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat naar oud recht het vanwege het gesloten stelsel van verbintenissen niet mogelijk was om de eenzijdige rechtshandeling te zien als bron van verbintenissen.
Enkele Franse auteurs die ook met deze problematiek worstelen en de uitloving niet als verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling willen kwalificeren, zoeken de oplossing in zaakwaarneming of ongerechtvaardigde verrijking, zie Rieg 1961, p. 451 en Flour, Aubert en Savaux 2008, p. 449.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/171; Eggens 1953.
Schoordijk 1979, p. 483.
De Duitse uitlovingsfiguur is een uitzondering op het in §311 BGB geformuleerde ‘Vertragsprinzip’, dat meebrengt dat men niet gebonden kan zijn aan een eenzijdige rechtshandeling. Münchener Kommentar zum BGB, §657, nr. II-2 (Seiler).
Medicus en Lorenz 2012, p. 26.
Brox/Walker 2014, p. 22.
Zie bijvoorbeeld Asser/Rutten 3-II 1952, p. 111; B. Wessels, Kwartaalbericht Nieuw BW 1986/3, p. 86 sub 7. Polderman liep aan tegen de geslotenheid van het systeem van verbintenissen in het oud BW, maar overwoog dat, nu de uitlover zich tot het publiek richt en bij velen vertrouwen wekt, het strijdig met de goede zeden is om een uitlover te ontslaan van de verplichting om zijn woord te houden; Polderman 1913, p. 115.
Evenmin als dat in het Duitse recht een vereiste is, tenzij de uitlovende partij dit uitdrukkelijk bedingt heeft, C. Wendel, Der Unilateral Contract, diss. Passau 2003, p. 154.
Zie in dezelfde zin Cauffman 2005, p. 300 e.v. en p. 304 e.v.
Vgl. Medicus en Lorenz 2012, p. 26.
Cauffman 2005, p. 304; Van Gerven en Covemaeker 2006, p. 263.
Enkele Franse auteurs sluiten zich aan: Larroumet 2003, nr. 100; Capitant 1923, p. 67-68; Demogue 1923, p. 263.
Noot 3 bij art. 2:201 suggereert dat een uitloving een aanbod is, terwijl de toelichting bij art. 1:107 erop wijst dat het een verbindende eenzijdige rechtshandeling is.
Cauffman leidt uit art. 6:220 BW juist af dat uitloving naar Nederlands recht herroepelijk is: Cauffman 2005, p. 297. Naar Frans recht is uitloving in beginsel herroepelijk. Sommige auteurs menen dat herroeping slechts mogelijk is als de herroeping ter kennis van het publiek komt voordat de gevraagde prestatie verricht is, Rieg 1961, p. 444 en p. 451. Anderen menen dat een herroeping alleen geldig is als er voldoende publiciteit aan gegeven is, Mazeaud, Mazeaud en Chabas 1998, p. 354. Ook verdedigd wordt dat de herroeping niet tegengeworpen kan worden aan een persoon die er niet van op de hoogte was, en dat iemand die wel kennis neemt van de herroeping recht heeft op vergoeding van de kosten die hij reeds heeft gemaakt voor het verrichten van de prestatie (zoals ook in Nederland het geval is, zie art. 6:220 lid 2 BW), Planiol, Ripert en Esmein 1953, p. 164-165. Ook Engels recht kiest voor herroepelijkheid, totdat een begin gemaakt is met de uitvoering van de gevraagde prestatie, zie Treitel 2011, para 2-052. Anders: Atiyah & Smith 2005, p. 48 e.v., die schrijven dat herroepelijkheid afhangt van de omstandigheden van het concrete geval. In Duitsland is een uitloving herroepelijk, zie §658 BGB. Het Belgische recht kiest, net als Nederlands recht, voor onherroepelijkheid, zie Cauffman 2005, p. 299.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 884 (TM).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 886 (TM).
245. In de parlementaire geschiedenis en de literatuur wordt de uitloving gezien als een voorbeeld van een openbaar aanbod.1 Zoals in nr. 227 e.v. uiteengezet, meen ik dat een openbaar aanbod in beginsel niet bindend is. Uitloving is mijns inziens niet te kwalificeren als een aanbod, maar als een zelfstandige rechtshandeling. Ik meen dat als gevolg van uitloving verbintenissen kunnen ontstaan.
Volgens de heersende leer ontstaat de verbintenis tot het verrichten van een uitgeloofde prestatie pas na aanvaarding.2 Verdedigd is dat de aanvaarding besloten kan liggen in het uitvoeren van de gevraagde prestatie.3 Dit is echter onmogelijk vol te houden voor situaties, waarin degene die de prestatie verricht niet op de hoogte was van de uitloving. De getuige die de uitgeloofde beloning over het hoofd ziet en uit burgerplicht naar de politie gaat, had geen weet van het aanbod en had dus ook niet de wil te aanvaarden en zo een overeenkomst tot stand te brengen. Toch heeft hij recht op de uitgeloofde beloning.4 Andere auteurs verdedigen dat door de prestatie te verrichten de bevoegdheid ontstaat om het uitgeloofde te aanvaarden, maar dat het vorderingsrecht pas ontstaat op het moment dat degene die aan de vereisten voldoet aan de uitlover verklaart de beloning te aanvaarden,5 of althans de beloning niet weigert.6
In het Duitse BGB is in §657 neergelegd dat de uitloving zelf als eenzijdige rechtshandeling de verbintenis doet ontstaan.7 De vervulling van de voorwaarde geldt als “Realakt”.8 Expliciet wordt vermeld dat ook degene die niet handelde op grond van de uitloving, recht heeft op de beloning.9 Naar Duits recht wordt het aanbod niet als eenzijdige rechtshandeling beschouwd, en dit zal een rol hebben gespeeld bij de kwalificatie van de Auslobung als een op zichzelf staande verbintenisscheppende rechtshandeling. Desondanks bepleit ik deze oplossing, die al onder het Oud BW is verdedigd,10 ook voor het Nederlandse recht. Het is een uitkomst die de feitelijke werkelijkheid geen geweld aandoet, anders dan de constructie dat het verrichten van de prestatie de aanvaarding van het wellicht onbekende aanbod vormt. Hartkamp & Sieburgh voeren aan dat om een recht te verwerven in het algemeen vereist is dat de verkrijgende daarmee instemt. Zoals op meerdere plaatsen in dit onderzoek blijkt, kan dit niet in zijn algemeenheid volgehouden worden. Ook Hartkamp & Sieburgh erkennen elders de mogelijkheid van de verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling.11 Het verrichten van de prestatie doet het recht ontstaan om de uitgeloofde beloning te aanvaarden. Mijns inziens bestaat er geen bezwaar tegen om aan te nemen dat de verbintenis direct ontstaat, waarbij uiteraard degene die recht heeft op de beloning deze kan weigeren of niet kan effectueren.
Ik meen dat een wilsverklaring dat de uitgeloofde beloning wordt aanvaard, niet nodig is.12 De uitloving is een eenzijdige rechtshandeling die een verbintenis doet ontstaan onder de voorwaarde dat de gevraagde tegenprestatie verricht wordt. Of degene die de prestatie verricht, weet van de uitgeloofde beloning, is niet van belang voor het al dan niet verschuldigd worden van het uitkeren van de beloning. Deze opvatting leidt ertoe, dat ik uitloving niet als een aanbod zie. Immers, een aanbod ziet erop aanvaard te worden en een overeenkomst tot stand te brengen. Dat is in mijn visie niet nodig, nu de eenzijdige rechtshandeling op zich al de verbintenis tot uitkering van de beloning schept.13
Het is de vraag of deze andere benadering ook leidt tot andere praktische resultaten. Een aanspraak op de uitgeloofde beloning zal pas toewijsbaar zijn als de gevraagde prestatie is verricht. Het is vooral een dogmatische kwestie of men de uitloving beschouwt als een aanbod dat wordt aanvaard door het verrichten van de prestatie danwel door een wilsverklaring aan de uitlover, ofwel als een eenzijdige rechtshandeling waaraan een voorwaarde is verbonden. De kwalificatie als verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling heeft wel tot gevolg, dat doordat de vervulling van de voorwaarde niet als een rechtshandeling wordt beschouwd, ook handelingsonbekwamen aanspraak kunnen maken op de beloning.14
Behalve het Duitse recht kiezen de ons omringende landen niet voor de constructie van de uitloving als op zichzelf staande eenzijdige rechtshandeling. Zowel naar Belgisch recht15 als naar Frans recht16 wordt deze oplossing echter ook in de literatuur bepleit. Naar Engels recht staat het vereiste van consideration in de weg, vereist is dat de prestatie verricht is voordat de beloning verschuldigd wordt. De Toelichting bij de PECL biedt een ambigu beeld.17
246. Uitloving is naar Nederlands recht in beginsel onherroepelijk, zo volgt uit art. 6:220 BW.18 Een uitzondering wordt gemaakt voor bijzondere gevallen, waarin ‘gewichtige redenen’ herroeping of wijziging van het aanbod rechtvaardigen. Deze bepaling is echter van regelend recht, en uit de bewoordingen van de uitloving kan dus een ruimere of beperktere herroepingsmogelijkheid volgen.19
Art. 6:220 lid 2 BW bepaalt dat zelfs in het geval een uitloving wegens gewichtige redenen gerechtvaardigd is herroepen of gewijzigd, de rechter aan iemand die op grond van de uitloving met de voorbereiding van een gevraagde prestatie is begonnen, een billijke schadeloosstelling kan toekennen. De ratio hiervan is volgens de Toelichting Meijers dat een uitgeloofde beloning aanvaard moet worden door de gevraagde prestatie te voltooien. 20 Het was volgens Meijers niet mogelijk om, voordat men kosten of moeite investeert, een overeenkomst tot stand te brengen door het aanbod te aanvaarden met een enkele wilsverklaring. Los van het feit dat partijen wel degelijk afspraken kunnen maken over te investeren kosten, kan ik mij niet verenigen met het aangevoerde argument, nu ik meen dat een uitloving in het geheel niet hoeft te worden aanvaard. Een schadevergoedingsplicht zal niet snel worden aangenomen. Als een aangekondigd pianoconcours wordt afgeblazen, maar de organisatie verzuimt dit kenbaar te maken aan de ingeschreven kandidaten, dan hoeft weliswaar de uitgeloofde beloning niet verricht te worden (de gevraagde prestatie, het winnen van het concours, zal immers ook niet kunnen worden verricht), maar de organisatie zal op grond van de zorgvuldigheid wel de verplichting hebben de gemaakte reiskosten te vergoeden.