Ondernemingsrecht 2020/83
Invloed coronacrisis op financiële verslaggeving
Prof. dr. L.G. van der Tas RA & mr. S. Visser, datum 22-04-2020
- Datum
22-04-2020
- Auteur
Prof. dr. L.G. van der Tas RA & mr. S. Visser1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS197469:1
- Vakgebied(en)
Corona (V)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Prof. dr. L.G. van der Tas RA is hoogleraar financiële verslaggeving aan de Universiteit van Tilburg en d.m.v. BV partner en Global IFRS Leader bij één van de grote accountantsorganisaties. Mr. Sonja Visser is als senior manager werkzaam bij de professional practice group en bij het AML Office van dezelfde organisatie.
IFRS 9 par .3.2 en 3.3 alsmede B3.2 en B3.3 en RJ 115.109-111.
Door de International Accounting Standards Board (IASB) en diverse Europese toezichthouders zijn public statements gepubliceerd met aandachtspunten bij de toepassing van het ECL model onder IFRS 9 alsmede de controle daarop door de accountant. Zie IASB, Accounting for expected credit losses applying IFRS 9 Financial Instruments in the light of the current uncertainty resulting from the COVID-19 pandemic, 27 maart 2020; European Securities and Markets Authority (ESMA), Accounting implications of the COVID-19 outbreak on the calculation of expected credit losses in accordance with IFRS 9, ESMA32-63-951, 25 maart 2020; en de European Banking Authority (EBA), Statement on the application of the prudential framework regarding Default, Forbearance and IFRS 9 in light of COVID-19 measures, 25 maart 2020.
IAS 12.47 en RJ 272.401.
De uitbraak van het coronavirus en de genomen maatregelen in Nederland en elders hebben grote financiële consequenties voor Nederlandse ondernemingen. Hoewel de Nederlandse ondernemers de gevolgen voor de verslaggeving niet onmiddellijk als het belangrijkste aandachtspunt zullen beschouwen, is transparantie omtrent de gevolgen van het virus voor de financiële positie en resultaten van de onderneming van groot belang om het vertrouwen te behouden of terug te winnen. In deze bijdrage wordt een aantal aandachtspunten voor de jaarverslaggeving en tussentijdse berichtgeving aan de orde gesteld. Normaal gesproken wordt het effect van COVID-19 en de getroffen maatregelen verwerkt in de verslaggeving over het eerste en/of tweede kwartaal van 2020 en de jaarrekening over 2020, behoudens de situatie van onontkoombare discontinuïteit in welk geval de jaarrekening moet worden opgesteld op liquidatiebasis.
Indicatoren die in het kader van de pandemie kunnen wijzen op een (bijzondere) waardevermindering van materiële en immateriële activa komen ter sprake. Zo daarvan sprake is, moet de boekwaarde tot op de lagere realiseerbare waarde worden verlaagd. Ook kan er een verhoogd kredietrisico op verstrekte leningen en handelskredieten door banken en leveranciers zijn. Ook de wijze waarop daarmee moet worden omgegaan, komt aan de orde. Als aandachtspunt geldt dat daar waar banken in het kader van een algemene regeling uitstel van betaling verlenen aan kredietnemers, dit niet noodzakelijkerwijs een aanwijzing is dat het kredietrisico op een lening significant is verslechterd. Indien lening- of huurovereenkomsten worden aangepast, bijvoorbeeld door het verlenen van uitstel van betaling of kortingen is een zorgvuldige analyse van de overeenkomst nodig om te bepalen op welke wijze het effect daarvan in de verslaggeving tot uitdrukking komt.
Het is tevens van belang dat de rechtspersoon nagaat of hij op balansdatum nog voldoet aan convenanten in leningsovereenkomsten in verband met de wijze van presentatie in de jaarrekening. Mocht de rechtspersoon overheidssteun ontvangen zoals loonkostensubsidie, dan moet nagegaan worden vanaf welk moment en in welk tempo de steun als bate moet worden verantwoord.
1. Inleiding
Ten tijde van deze uitbraak van het coronavirus zal de aandacht van ondernemingsleidingen in eerste instantie uitgaan naar de gezondheid van de personeelsleden en het waarborgen van de continuïteit van de onderneming. Financiële verslaggeving is dan waarschijnlijk niet een onderwerp dat als eerste aandachtspunt zal gelden. Toch is in moeilijke tijden transparantie van groot belang voor het behouden of terugwinnen van vertrouwen. Daar hoort ook transparantie bij over de gevolgen van de uitbraak voor de financiële positie en prestaties van de onderneming. Hierna wordt een overzicht gegeven van aandachtspunten voor de ondernemingsleiding bij het opstellen van de jaarrekening en de tussentijdse berichtgeving in 2020, zowel onder Nederlandse verslaggevingsgrondslagen als International Financial Reporting Standards zoals goedgekeurd voor toepassing in de Europese Unie (EU IFRS).
2. Gebeurtenis na balansdatum
De uitbraak van het coronavirus heeft pas in de loop van december 2019 in China plaatsgevonden en de wereldwijde verspreiding en de daarbij behorende gevolgen en overheidsmaatregelen waren per jaareinde 2019 nog niet aan de orde of naar alle waarschijnlijkheid niet van invloed op de activiteiten van de Nederlandse ondernemingen. Voor ondernemingen waarvan het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar worden de gevolgen van de uitbraak van het coronavirus daarom aangemerkt als gebeurtenissen na balansdatum die geen nadere informatie geven over de feitelijke situatie op balansdatum. De gevolgen van de uitbraak voor de jaarrekening 2019, indien deze nog niet is opgemaakt, zullen zich normaal gesproken beperken tot additionele toelichting. Daar in maart 2020 de Wereldgezondheidsorganisatie WHO de pandemie uitriep en de Nederlandse regering in die maand de eerste maatregelen bekend maakte, ligt het in de rede dat rechtspersonen met gebroken boekjaar en met een balansdatum vanaf 31 maart 2020 de gevolgen van de uitbraak en de overheidsmaatregelen in hun jaarrekeningen moeten verwerken. Hetzelfde geldt voor tussentijdse berichten met een balansdatum op of na de genoemde datum. Voor balansdata tussen 31 december 2019 en 31 maart 2020 zal de verwerking afhangen van de vraag waar de getroffen activiteiten zich bevinden en wat de aard van de disruptie is.
Een uitzondering op het bovenstaande geldt in de situatie dat de gevolgen van de uitbraak van het coronavirus voor de rechtspersoon van zodanig grote betekenis zijn dat de discontinuïteit van het geheel van de werkzaamheden van de rechtspersoon onontkoombaar is geworden. In dat geval mag de jaarrekening niet meer worden opgesteld op basis van continuïteit, ook al wordt de discontinuïteit veroorzaakt door gebeurtenissen na balansdatum.2
De mogelijke gevolgen van de uitbraak en de maatregelen ter bestrijding ervan voor de jaarrekening 2020 en tussentijdse berichten in 2020 bespreken wij hierna.
3. (Bijzondere) waardeverminderingen materiële en immateriële activa
Gezien de wereldwijde impact van de uitbraak op de economie is het waarschijnlijk dat veel rechtspersonen geconfronteerd worden met indicatoren van een mogelijke bijzondere waardevermindering van immateriële en materiële vaste activa, zoals goodwill, licenties, merknamen, maar ook productiefaciliteiten en machines. Voorbeelden van in de huidige omstandigheden relevante externe en interne indicatoren zijn (i) een daling van de reële waarde van het actief die verder gaat dan verwacht zou mogen worden op basis van het verstrijken van de tijd of normaal gebruik; (ii) belangrijke veranderingen met een nadelig effect op de rechtspersoon op het terrein van de economie of de markt, (iii) een daling van de reële waarde van het eigen vermogen beneden de boekwaarde van de netto activa; en (iv) belangrijke veranderingen in de mate waarin of de wijze waarop een actief wordt gebruikt of naar verwachting zal worden gebruikt.
Indien zich een dergelijke indicatie voordoet, moet de realiseerbare waarde worden bepaald en indien deze lager is dan de boekwaarde, moet de afboeking tot op lagere realiseerbare waarde plaatsvinden. De realiseerbare waarde wordt bepaald per kasstroomgenererende eenheid (actief of groep van activa) en is de hoogste van de directe opbrengstwaarde en bedrijfswaarde (ook wel de indirecte opbrengstwaarde of waarde in gebruik). Tevens kunnen de indicatoren een aanleiding zijn om de resterende levensduur en de restwaarde van het actief opnieuw te beoordelen.3
Voorts kan het zijn dat vlottende activa zoals voorraden door de uitbraak van het virus en de overheidsmaatregelen niet of niet meer tegen een kostendekkende prijs kunnen worden verkocht. In dat geval moeten deze worden afgeboekt tot op lagere actuele waarde, waaronder wordt verstaan de directe opbrengstwaarde.4
4. Vorderingen, leningen en andere financiële activa
Als gevolg van de virusuitbraak en de overheidsmaatregelen heeft een aantal financiële instellingen maar ook een aantal leveranciers van getroffen rechtspersonen uitstel van betaling geboden op leningen of handelscrediteuren, al dan niet met een (extra) rentevergoeding. Onder IFRS gelden gedetailleerde voorschriften omtrent de verwerking van wijzigingen in leningsvoorwaarden zoals een uitstel van betaling en/of een wijziging van de looptijd of rentevoorwaarden. Bepalend is of al dan niet sprake is van een ‘substantial modification’. In alle gevallen zal dit leiden tot het onmiddellijk verantwoorden van een winst of verlies op de schuld zowel vanuit het perspectief van de kredietnemer als de kredietverlener. In de Nederlandse wet- en regelgeving zijn geen gedetailleerde voorschriften opgenomen en wordt teruggevallen op de algemene bepalingen waarbij beoordeeld moet worden of de wijzigingen in de rechten en risico’s zodanig zijn dat feitelijk de lening beschouwd moet worden als te zijn vervangen door een nieuwe lening.5
Ook kan de uitbraak van het virus en de beperkende maatregelen leiden tot een verhoogd kredietrisico op verstrekte leningen en handelsdebiteuren. Voor het kredietrisico geldt dat onder IFRS het ‘expected credit loss’ (ECL) model geldt hetgeen inhoudt dat mede rekening moet worden gehouden met verwachte kredietverliezen terwijl voor Nederlandse grondslagen kan worden gekozen voor hetzij het ‘incurred loss’ model waarin slechts rekening wordt gehouden met gerealiseerde verliezen, dan wel voor het ECL model van IFRS, mits dit integraal plaatsvindt. Duidelijk zal zijn dat onder beide modellen een inschatting van de daadwerkelijke en nog te verwachten kredietverliezen moeilijk kan zijn en zal afhangen van de duur en zwaarte van de crisis. De IASB en de toezichthouders wijzen er daarbij op dat indien een bank in het kader van een algemene regeling uitstel van betaling aan (bepaalde categorieën) kredietnemers verleent, dit niet automatisch betekent dat al deze kredieten een verslechterd kredietrisico kennen (en daarmee een hogere verliesvoorziening zouden meebrengen). Bij het inschatten van toekomstige economische ontwikkelingen moeten mede in de beschouwing worden betrokken de verwachte effecten van COVID-19 en de significante steunmaatregelen van de overheid.6
5. Overheidsbijdragen en belastingmaatregelen
In veel landen zijn maatregelen genomen of aangekondigd door de overheid waarbij het bedrijfsleven wordt ondersteund. De vorm waarin dit plaatsvindt verschilt sterk en kan variëren van het vergoeden van specifieke kosten/verliezen van specifieke ondernemingen tot generieke maatregelen voor een gehele sector. Ook de grondslag voor de steun kan sterk verschillen. Indien de overheidssteun plaatsvindt via vermindering of latere betaling van de belastingheffing op de winst (inkomsten- of vennootschapsbelasting) gelden de normale verslaggevingsregels voor belastingen naar de winst. Belangrijk daarbij is dat een eventuele wijziging in de regeling betreffende de belasting op de winst pas voor verantwoording in aanmerking komt nadat de betreffende wijziging is vastgesteld dan wel daartoe materieel is besloten (‘substantively enacted’).7 Indien de overheidssteun niet via de belasting naar de winst plaatsvindt dan gelden de verslaggevingsregels voor overheidssubsidies en mag deze pas worden verwerkt zodra er redelijke zekerheid is dat de rechtspersoon aan de gestelde voorwaarden voldoet en de subsidie of faciliteit daadwerkelijk zal verkrijgen. Exploitatiesubsidies dienen ten gunste van de winst-en-verliesrekening te worden gebracht in de periode ten laste waarvan de gesubsidieerde bestedingen komen of waarin de opbrengsten zijn gederfd dan wel het exploitatietekort zich heeft voorgedaan. Dit is bijvoorbeeld relevant voor eventuele loonkostensubsidie op basis van de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW).
6. Voorzieningen
De uitbraak en de maatregelen ter bestrijding ervan kunnen leiden tot een situatie waarin contracten verlieslatend worden, bijvoorbeeld doordat de kosten van het ten uitvoer brengen van het contract stijgen en deze niet kunnen worden doorbelast aan de afnemer. In dat geval moet een voorziening voor verlieslatende contracten worden gevormd. Voorts kan er sprake zijn van een noodzaak tot reorganisatie. In dat geval kan slechts een voorziening worden gevormd voor de kosten van de reorganisatie vanaf het moment dat de rechtspersoon een gedetailleerd plan heeft geformaliseerd en de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt bij betrokkenen dat de reorganisatie zal worden uitgevoerd. Het laatste kan plaatsvinden door met de reorganisatie te beginnen, dan wel de betrokkenen te informeren. Tevens is er in de Nederlandse wetgeving de mogelijkheid ook al een voorziening te vormen indien aan de tweede voorwaarde op balansdatum nog niet wordt voldaan, maar wel op het moment dat de jaarrekening wordt opgemaakt.8
7. Leases
Als gevolg van de crisis heeft een groot aantal verhuurders van vastgoed, met name in de retail sector, aan hun huurders vermindering of uitstel van betaling van huurpenningen geboden. Dit gebeurt al dan niet op instigatie van en/of met ondersteuning van de overheid. In de Nederlandse regelgeving voor verslaggeving zijn geen details opgenomen omtrent de vraag hoe hiermee om te gaan. Onder IFRS hangt de verwerking in de jaarrekening van de lessor (partij die gebruiksrecht over een actief geeft) en lessee (ontvanger van het gebruiksrecht) sterk af van de reeds in de overeenkomst opgenomen mogelijkheden tot herziening van de leasebetalingen en of de tegemoetkoming die de lessor geeft al dan niet feitelijk het doorsluizen van een overheidsbijdrage is. Bijvoorbeeld, in het geval het onder IFRS niet om het doorsluizen van een overheidsbijdrage gaat en het contract geen bepalingen bevat omtrent het vergoeden van de lessee voor bepaalde schade/ontoegankelijkheid/verminderde klantenstroom, dan moet het voordeel voor de lessee als een ‘lease modification’ worden behandeld. Dit leidt er onder meer toe dat de lease moet worden beschouwd als een volledig nieuwe lease en de resterende leasebetalingen contant moeten worden gemaakt tegen een nieuwe, actuele rentevoet. Dit kan in een periode van lage rente tot een aanzienlijke stijging van de leaseverplichting leiden. Bovendien moet het voordeel van de lagere betalingen worden verwerkt door deze in mindering te brengen op het gebruiksrecht waardoor het voordeel dus niet kan worden verantwoord in de periode van schade als gevolg van het coronavirus, maar leidt tot lagere afschrijvingen gedurende de resterende lease periode. Elke leaseovereenkomst waarvoor tegemoetkoming wordt gegeven/verkregen moet afzonderlijk worden geanalyseerd. Dit heeft ertoe geleid dat de IASB op 17 april 2020 aankondigde een vrijstelling te verlenen aan lessees voor het moeten analyseren van al deze wijzigingen in leaseovereenkomsten en toe te staan dat de tegemoetkoming in de leasekosten als gevolg van COVID-19 in 2020 worden verantwoord als variabele leasebetalingen die onmiddellijk als bate in de winst-en-verliesrekening kunnen worden verantwoord.
8. Presentatie als kort- of langlopend verplichting
Wanneer de verslechterde financiële positie van de rechtspersoon er toe leidt dat niet langer aan leningsconvenanten zoals een minimaal eigen vermogen of een minimale liquiditeit wordt voldaan, kan de lening per de balansdatum direct opeisbaar zijn geworden en moet deze als kortlopend worden gepresenteerd omdat de rechtspersoon geen onvoorwaardelijk recht heeft om terugbetaling van de schuld binnen 12 maanden tegen te houden. Hetzelfde geldt in de Nederlandse regelgeving, zij het dat de optie wordt geboden om de schuld toch als langlopend te presenteren, mits tussen de balansdatum en het moment dat de jaarrekening wordt opgemaakt overeenstemming is bereikt met de schuldeisers over een herstelperiode waardoor de lening niet binnen 12 maanden na balansdatum opeisbaar is.
9. Ter afsluiting
Wij hebben met het voorgaande ons beperkt tot een beknopt overzicht van de relevante aspecten die voor de jaarrekening en tussentijdse berichtgeving relevant kunnen zijn. Duidelijk mag zijn dat de gevolgen veelzijdig en ingrijpend kunnen zijn. De ongekende (economische) gevolgen van de coronacrisis zijn tevens een stress test gebleken voor de internationaal recentelijk ingevoerde standaarden voor de financiële verslaggeving over financiële instrumenten (IFRS 9) en leasing (IFRS 16). Beide standaarden waren ingevoerd naar aanleiding van de kredietcrisis en bedoeld om de financiële buffers bij banken te verhogen en de transparantie omtrent de schuldgraad bij ondernemingen te verbeteren. Interessant is dat onder de hoge druk van de coronacrisis kleine zwakke plekken van de standaarden zichtbaar zijn geworden, maar zij stand houden en niets gebleken is van een noodzaak tot een heroverweging van de standaarden. Er zijn blijkbaar lessen geleerd van de vorige crisis. De vraag is welke lessen we trekken uit deze.