Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/156
156 De ontwikkeling van het bepaaldheidsvereiste
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD23356:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wiarda 1937, p. 114.
HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 m.nt. WMK.
HR 24 oktober 1980, NJ 1981, 265 m.nt. WMK (Curatoren Solleveld/Bouwman).
Vgl. Verdaas 2002b, p. 48.
Struycken 1997 en Struycken 1999.
Zo ook Kortmann en Faber 1999.
Het duidelijkst heeft de Hoge Raad zich hierover uitgelaten in de arresten HR 21 december 2001, JOR 2002/38 m.nt. NEDF en m.nt. Steef M. Bartman, NJ 2005, 96 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Sobi/Hurks II), HR 20 september 2002, JOR 2002/211 m.nt. NEDF, NJ 2004, 182 m.nt. WMK (Mulder q.q./Rabobank) en HR 16 mei 2003, JOR 2003/184, NJ 2004, 183 m.nt. WMK (De Liser de Morsain/Rabobank).
Het bepaaldheidsvereiste is een fundamentele regel van ons vermogensrecht. Zowel persoonlijke rechten als rechten op goederen zijn niet goed denkbaar als de inhoud van die rechten niet duidelijk is.
Onder het vóór 1992 geldende recht was niet geheel duidelijk wanneer een omschrijving van vorderingen in een akte van cessie voldeed aan het bepaaldheidsvereiste. Vrij algemeen werd echter aangenomen dat met een zeer algemene omschrijving van te cederen vorderingen in een akte van cessie kon worden volstaan.1
Rond de invoering van de huidige wettelijke regeling van het stil pandrecht op vorderingen in 1992 is de nodige onzekerheid ontstaan over de criteria aan de hand waarvan moet worden vastgesteld of te verpanden vorderingen in voldoende mate zijn bepaald. Er werd bijvoorbeeld betwijfeld of met een globale omschrijving van te verpanden vorderingen in een pandakte voldaan kon worden aan het vereiste dat de te verpanden vorderingen in voldoende mate zijn bepaald. Aanvankelijk werd wel betoogd dat specificatie van de te verpanden vorderingen in de pandakte noodzakelijk was. Nadat dit standpunt door de Hoge Raad in het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.2 was afgewezen, werd wel gedacht dat specificatie van de te verpanden vorderingen in een document waarnaar in de pandakte werd verwezen noodzakelijk was.
Een mogelijke oorzaak van deze onzekerheid over het bepaaldheidsvereiste is dat onder het oude recht voor vorderingen die ten tijde van de cessie nog moesten ontstaan, werd aangenomen dat deze uitsluitend voldoende bepaald waren indien zij hun onmiddellijke grondslag hadden in een ten tijde van de cessie reeds bestaande rechtsverhouding.3 Naar huidig recht geldt, dat op toekomstige vorderingen uitsluitend een stil pandrecht kan worden gevestigd als deze rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding.4 Dit vereiste vloeit thans echter niet voort uit het bepaaldheidsvereiste, maar uit de wet.5
Een andere mogelijke oorzaak is dat zowel onder het oude recht als onder het huidige recht, in geval van kredietverlening door banken met vorderingen als onderpand, de in zekerheid te geven vorderingen in periodiek aan de bank te zenden zogenoemde cessie- of pandlijsten nauwkeurig gespecificeerd plegen te worden. Bij de bepaling van de kwaliteit en de totale omvang van de in zekerheid gegeven vorderingen houden banken van oudsher begrijpelijkerwijs uitsluitend rekening met de aldus gespecificeerde vorderingen. Door deze praktijk ontstond mogelijk het idee dat specificatie van te verpanden vorderingen noodzakelijk is. De onzekerheid werd nog vergroot door publicaties waarin werd gepleit voor een streng bepaaldheidsvereiste,6 nu in deze publicaties het geldende en het voor de auteur wenselijke recht niet voor eenieder duidelijk werden onderscheiden.7
In een aantal arresten heeft de Hoge Raad inmiddels uitgemaakt dat voor het huidige recht voor wat betreft de omschrijving van een te verpanden vordering in de pandakte is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste indien en voor zover uitleg van die omschrijving leidt tot de conclusie dat deze vordering is bedoeld en de vordering, ten laatste op het moment waarop het pandrecht op de vordering ontstaat, individualiseerbaar is.8