Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.1
7.1 De verhouding tussen erfrecht en algemeen vermogensrecht
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS377979:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Perrick 4 2013/4 en 133. Zie in gelijke zin: Bauduin 2014, p. 55.
Handboek Erfrecht 2011, p. 130.
Breemhaar 1992, p. 22.
Meijers 1954, p. 17. Zie ook J.H. Bast, Het ontwerp-Meijers vergeleken met de bestaande wetgeving, Zwolle: Tjeenk Willink 1956, p. 17 en 253. In het Ontwerp Meijers was ‘uiterste wilsbeschikking’ gedefinieerd als een eenzijdige rechtshandeling van hetgeen dat iemand wilde dat na zijn dood met zijn vermogen zou geschieden. Familierechtelijke beschikkingen konden volgens de Toelichting Meijers wel worden opgenomen in een testament, maar waren geen uiterste wilsbeschikkingen (Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 214). Die definitie is later zo aangepast dat het moest gaan om een hoogstpersoonlijke eenzijdige rechtshandeling waarbij de erflater een in dit boek geregelde beschikking maakte. Deze wijziging moest ervoor zorgen dat bepaalde testamentaire lasten over de definitie van uiterste wilsbeschikking zouden vallen (p. 216, MvA II). In het Mondeling Overleg werd echter de huidige redactie voorgesteld, omdat het niet duidelijk was waarom familierechtelijke beschikkingen geen uiterste wilsbeschikking konden zijn, welke consequenties de uitsluiting had en wat het belang was (p. 221). In het huidige erfrecht is het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen neergelegd in art. 4:42 lid 1 BW, vgl. ook art. 20a Wet op het Notarisambt (Wna).
Hartkamp 2010, p. 19.
I. Kisch, ‘Het systeem van het BW vergeleken met dat van buitenlandse codificaties’, in: Scholten en Meijers 1990, p. 236. Zie ook Eggens in diezelfde bundel op p. 425, die schrijft dat erfrecht de wettelijke regeling betreft van het overgaan en ontstaan van rechtsbetrekkingen ten gevolge van iemands overlijden.
Art. 3:112 BW. Zie ook Verstappen 1996, p. 151. Boek 3 en Boek 6 regelen deze eigendoms- en bezitsverkrijging. Zo bepaalt art. 3:102 BW dat een opvolger onder algemene titel een lopende verjaring voortzet, en regelt art. 3:116 BW dat degene die een ander onder algemene titel opvolgt, hem ook opvolgt in diens bezit en houderschap, met alle hoedanigheden en gebreken daarvan. Art. 6:249 BW bepaalt dat de rechtsgevolgen van een overeenkomst in beginsel ook gelden voor rechtsverkrijgers onder algemene titel. Het recht op vergoeding van immateriële schade ex art. 6:106 BW gaat blijkens lid 2 over onder algemene titel als de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken, vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 378 en 383. Zie ook Verstappen 1996, p. 158.
Handboek Erfrecht 2011, p. 150.
Handboek Erfrecht 2011, p. 150-151.
Art. 4:14 lid 2 en 3; art. 4:23 lid 6; art. 4:31 lid 1; art. 4:34 lid 2; art. 4:120 lid 4; art. 4:131 lid 3; art. 4:174 lid 2; art. 4:175 lid 1 sub d; art. 4:184 lid 2 sub c; art. 4:185 lid 1; art. 4:212; art. 4:220 lid 2, 3 en 4; art. 4:224 BW.
Bijvoorbeeld in art. 4:14 lid 2 en 3 BW.
Bijvoorbeeld in art. 4:131 lid 3.
Zie over de inconsistentie van het gebruik van de begrippen ‘aansprakelijkheid’, ‘verhaal’ en ‘draagplicht’ ook Kolkman 2006, p. 186.
277. Om de vraag naar mogelijke kruisbestuiving tussen uiterste wilsbeschikkingen en andere eenzijdige rechtshandelingen te kunnen beantwoorden, is relevant hoe het erfrecht zich verhoudt tot het algemeen vermogensrecht. Perrick schrijft dat erfrecht algemeen vermogensrecht is.1 Het erfrecht moet volgens hem worden gezien als een bijzondere wijze van overgang van vermogensrechtelijke rechten, plichten en andere rechtsbetrekkingen, en dus als zelfstandig deel in onmiddellijke aansluiting en samenhang met het vermogensrecht worden behandeld.2 Volgens Perrick zijn de regels van titel 3.2 BW over rechtshandelingen dan ook rechtstreeks van toepassing op uiterste wilsbeschikkingen.3 Of het algemeen vermogensrecht rechtstreeks dan wel van overeenkomstige toepassing is, hangt ook af van de definitie van het begrip ‘uiterste wilsbeschikking’. Waaijer schrijft dat uiterste wilsbeschikkingen het vermogen van de erflater betreffen.4 Daaruit volgt dat de bepalingen van Boek 3 BW rechtstreeks van toepassing zijn op alle uiterste wilsbeschikkingen. Breemhaar daarentegen maakt onderscheid tussen uiterste wilsbeschikkingen van vermogensrechtelijke aard en uiterste wilsbeschikkingen van niet-vermogensrechtelijke aard,5 zoals de testamentaire voogdijbeschikking, de benoeming bij uiterste wilsbeschikking door een ouder van een voogd die het gezag over minderjarige kinderen zal uitoefenen.6 Op de eerste soort uiterste wilsbeschikkingen is titel 3.2 BW rechtstreeks van toepassing, terwijl op de tweede soort op grond van art. 3:59 BW de bepalingen uit die titel van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aard van de rechtshandeling zich daartegen niet verzet. Een uitvloeisel van Breemhaars standpunt is dat het erfrecht niet zoals Perrick stelt een integraal onderdeel van het algemeen vermogensrecht is, maar een eigen rechtsgebied, dat deels overlapt met het vermogensrecht en deels zelfstandig werkt. Volgens Meijers is het erfrecht wel deel van het algemeen vermogensrecht, nu het betrekking heeft op het vermogen als geheel en het de overgang ervan na overlijden van de rechthebbende regelt.7 Hartkamp benadrukt het onderscheid binnen het Burgerlijk Wetboek tussen personen- en vermogensrecht, en binnen die laatste categorie tussen het algemene en het bijzondere deel. Erfrecht wordt door hem tot het algemeen vermogensrecht gerekend.8 Ook Kisch ziet het erfrecht als deel van het vermogensrecht, nu dit het geheel van vermogensrechtelijke betrekkingen is dat voortvloeit uit overlijden.9 De gelijkstelling van vermogensrecht en erfrecht blijkt ook uit het feit dat onder het oude BW het erfrecht was geregeld in de titels XI tot en met XVII van het tweede boek ‘Van zaken’.
278. Ik sluit mij aan bij de visie dat het erfrecht onderdeel uitmaakt van het vermogensrecht, ondanks het feit dat het erfrecht zich ook bekommert om beschikkingen die niet-vermogensrechtelijk van aard zijn, zoals orgaandonatie, regeling van de begrafenis of crematie of de bestemming van de as. Anders dan Meijers en Hartkamp denk ik echter niet dat het erfrecht deel is van het ‘algemeen vermogensrecht’. Boek 3 BW bevat de algemene regels van vermogensrecht, en de Boeken 4, 5 en 6 BW regelen ieder verschillende, specifieke aspecten van het vermogensrecht. De lex generalis van Boek 3 is rechtstreeks van toepassing op de vermogensrechtelijke uiterste wilsbeschikkingen en krachtens art. 3:59 BW van overeenkomstige toepassing op niet-vermogensrechtelijke uiterste wilsbeschikkingen.
De samenhang tussen de Boeken 3 en 4 BW blijkt op meerdere plaatsen in de wet. Erfopvolging, uit hoofde van erfrecht bij versterf of uit hoofde van erfstelling, is een vorm van eigendomsverkrijging onder algemene titel.10 Ook bezit kan worden verkregen door opvolging onder algemene titel.11
De bijzondere focus van de Boeken 4, 5 en 6 staat er niet aan in de weg dat er kruisbestuiving plaatsvindt tussen die boeken. Dat de regels van Boek 6 BW van toepassing kunnen zijn op uiterste wilsbeschikkingen, blijkt ook op bepaalde plaatsen in de wet, zoals in art. 4:123 lid 3 BW, waarin de art. 6:258 en 6:260 BW gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard op wijziging of opheffing van de verbintenissen uit een legaat. In de literatuur wordt verdedigd dat art. 6:15 BW van toepassing is wanneer meerdere legatarissen gezamenlijk recht hebben op een prestatie12 en dat voor opeisbaarheid van vorderingen uit een legaat de regel van art. 6:38 BW geldt.13
De uiterste wilsbeschikking is mijns inziens dus onderdeel van het vermogensrecht, en zij is niet een van de andere eenzijdige rechtshandelingen geïsoleerde figuur. Zoals uit het voorgaande bleek, is op een aantal plaatsen geëxpliciteerd dat bepalingen uit Boeken 3 en 6 BW van toepassing zijn op uiterste wilsbeschikkingen. Hierna blijkt dat ook voor andere aspecten van de uiterste wilsbeschikking kan worden geput uit regelingen van andere terreinen van het vermogensrecht. Anderzijds kan de uiterste wilsbeschikking op bepaalde punten model staan voor een regeling van de eenzijdige rechtshandeling in het algemeen.
Illustratief voor het feit dat erfrecht en algemeen vermogensrecht niet steeds goed op elkaar zijn afgestemd, is het gebruik van de term ‘verhaal’. Op meerdere plaatsen in Boek 4 BW spreekt de wet van ‘verhaal nemen’.14 In art. 3:276 en 3:277 BW wordt met ‘verhaal’ bedoeld de executie van vermogensbestanddelen die aan de schuldenaar toebehoren of die anderszins voor de schuld zijn verbonden, om een vordering te kunnen voldoen. In sommige gevallen wordt dit ook in het erfrecht bedoeld.15 In andere artikelen wordt gedoeld op het nemen van regres en wordt de term gebruikt in de betekenis van verhaal op een in rang opvolgende draagplichtige.16 In art. 4:220 BW worden, enigszins verwarrend, beide betekenissen door elkaar gebruikt.17