Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/218
218 Later: overdracht van toekomstige vorderingen
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 20-10-2025
- Datum
20-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD29655:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Suijling 1936, nr. 491.
HR 24 oktober 1980, NJ 1981, 265 m.nt. WMK.
Eerder had de Hoge Raad reeds geoordeeld dat de overdracht van toekomstige roerende zaken mogelijk was; zie HR 22 mei 1953, NJ 1954, 189 m.nt. JD (Sio).
Opgemerkt zij dat naar huidig recht niet van overdracht, maar van levering van toekomstige vorderingen gesproken moet worden; toekomstige vorderingen kunnen wel worden geleverd, maar niet worden overgedragen. Voor overdracht is immers beschikkingsbevoegdheid vereist en ten aanzien van een (voor hem) toekomstig goed is een subject niet beschikkingsbevoegd. Vgl. hiervóór par. 8.1.
Aldus ook annotator W.M. Kleijn.
HR 26 maart 1982, NJ 1982, 615 m.nt. WMK.
Zie ook hiervóór par. 8.3.1.
Kort nadat het arrest Fijn van Draat/De Nederlanden was gewezen, had Suijling reeds aangetoond dat cessie van toekomstige vorderingen theoretisch denkbaar is, zij het dat de cessie van een toekomstige vordering eerst tot eigendomsovergang kon leiden als deze in het vermogen van de cedent was ontstaan of, in geval van een relatief toekomstige vordering, door hem was verkregen. Het al dan niet voor cessie vatbaar doen zijn van toekomstige vorderingen is een rechtspolitieke keuze, aldus Suijling.1
In het arrest Curatoren Solleveld/Bouwman2 kwam de Hoge Raad terug op zijn oordeel dat uitsluitend reeds bestaande vorderingen overgedragen kunnen worden.3 Toekomstige vorderingen kunnen worden overgedragen, indien zij een onmiddellijke grondslag hebben in een bestaande rechtsverhouding, zo besliste de Hoge Raad in dit arrest.4 De Hoge Raad preludeerde met dit oordeel kennelijk op het nieuwe Burgerlijk Wetboek.5 In het ontwerp van het nieuw BW was de levering bij voorbaat van een toekomstig goed immers mogelijk gemaakt.
Door op deze mogelijkheid te anticiperen kon de Hoge Raad het oude, gekunstelde criterium loslaten en toch tegemoetkomen aan de wens om vorderingen die onmiskenbaar een toekomstig element in zich dragen op ruime schaal te kunnen overdragen. Impliciet besliste de Hoge Raad dat vorderingen met een toekomstig element in zich die voorheen als bestaand werden aangemerkt nu als toekomstige vorderingen beschouwd dienden te worden. De Hoge Raad vertelde er niet bij aan de hand van welke maatstaven het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen moest worden gemaakt.
Door de introductie van het nieuwe criterium werd het belang van het antwoord op deze vraag echter veel groter. Immers: een gevolg van de perspectiefwisseling in het arrest Curatoren Solleveld/Bouwman was, dat vorderingen met een toekomstig element in zich veel minder dan in het verleden het geval was faillissementsbestendig overgedragen of verpand konden worden om de reden dat veel meer van dergelijke vorderingen als toekomstige vordering zouden worden aangemerkt en een overdracht casu quo verpanding van een toekomstige vordering niet tot stand komt indien na de overdracht casu quo het verrichten van de vestigingshandeling(en) maar voor het tegenwoordig worden van de vordering de vervreemder casu quo de pandgever failleert (zie hiervóór de paragrafen 8.1 en 8.2).
Illustratief voor dit gevolg van de perspectiefwisseling is het arrest SOS/ABN.6 Uit dat arrest blijkt dat al snel wordt aangenomen dat een toekomstige vordering een onmiddellijke grondslag heeft in een bestaande rechtsverhouding.7 Dat een subsidieaanvraag was ingediend was in dat geval voldoende om aan te nemen dat de subsidievordering die daar mogelijk het gevolg van zou zijn een grondslag had in een bestaande rechtsverhouding, zodat deze bij voorbaat kon worden overgedragen. Echter, doordat de vervreemder beschikkingsonbevoegd werd voordat de vordering ontstond, had de overdracht (naar huidig recht: levering) bij voorbaat niet tot gevolg dat de beoogde verkrijger de rechthebbende werd.
Een en ander roept de vraag op hoe ruim faillissementsbestendige levering en verpanding bij voorbaat mogelijk zouden moeten zijn. Zoals gezegd komt deze vraag in paragraaf 8.6.3 aan de orde. In de volgende paragraaf wordt eerst nagegaan of naar geldend recht in abstracto is aan te geven op welk moment een vordering met een toekomstig element in zich ontstaat.