Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/451
451 Is de cessionaris gehouden tot afscheiding van het geïnde?
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD46156:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1340. Vgl. ook Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 548.
Onduidelijk is overigens of de pandhouder deze verplichting nog kan nakomen nu de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de mogelijkheden tot het aanhouden van een kwaliteitsrekening beperkt zijn; vgl. HR 13 juni 2003, JOR 2003/209 m.nt. SCJJK en A. Steneker, NJ 2004, 196 m.nt. WMK (Coöperatie Beatrix/ProCall). Zie hierover par. 11.5.3 hiervóór.
Vgl. par. 6.3.1 en 11.5.3 hiervóór.
Een pandhouder is verplicht het door hem geïnde, voor zover hij zich daaruit niet terstond voldoet of dit niet terstond uitkeert aan de pandgever, faillissementsbestendig van zijn eigen vermogen af te scheiden door dit te storten op een kwaliteitsrekening.1,2 De pandgever en zijn crediteuren worden door die vermogensscheiding beschermd tegen insolventie van de pandhouder.3
Zijn de cedent en de fiduciair cessionaris overeengekomen dat de cessionaris een surplus zal afdragen aan de cedent en failleert de cessionaris vóór de afdracht van het surplus, dan valt dit surplus in zijn boedel. Men kan zich afvragen of dwingendrechtelijk zou moeten worden bepaald dat de cessionaris, indien hij nog niet bevoegd is het geïnde in mindering te brengen op zijn vordering op de cedent casu quo indien sprake is van een surplus dat de cessionaris dient uit te keren aan de cedent, evenals een pandhouder het geïnde dient af te scheiden van zijn eigen vermogen, zodat de cedent en diens crediteuren tegen insolventie van de cessionaris worden beschermd. Mijns inziens is daartoe onvoldoende aanleiding. Desgewenst kunnen cedent en cessionaris namelijk overeenkomen dat de cessionaris het geïnde zal afscheiden van zijn eigen vermogen, of kiezen voor een pandrecht in plaats van voor een zekerheidscessie. Daar komt bij dat de cedent en de cessionaris er mogelijk om hen moverende redenen welbewust van afzien om de cessionaris tot afscheiding te verplichten, bijvoorbeeld teneinde de cessionaris in staat te stellen het door hem geïnde aan te wenden voor zijn bedrijfsvoering.
Het is niet uitgesloten dat een cessionaris, op grond van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt en afhankelijk van de omstandigheden van het geval, gehouden is het door hem geïnde af te scheiden van zijn eigen vermogen tenzij de cessionaris en de cedent uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. Evenals de pandgever heeft de cedent belang bij die vermogensafscheiding, terwijl in het algemeen de cessionaris er geen gerechtvaardigd belang bij zal hebben om niet tot vermogensafscheiding over te gaan. Heeft hij zo een belang wel, dan kan hij met de cedent overeenkomen dat hij niet tot vermogensafscheiding gehouden is.