Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.2.5:II.6.2.5 Derivaten en commodity trades
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.2.5
II.6.2.5 Derivaten en commodity trades
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495309:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een renteswap komt in beginsel neer op het ruilen van een variabele rente over een bepaalde hoofdsom voor een vaste rente. Bijvoorbeeld, A heeft een nog vijf jaar lopende variabele rente van driemaands EURIBOR + 1%. Medio jaar X is B bereid om die variabele rente aan A te betalen (leg 1) onder de voorwaarde dat A hem een vaste rente van 2% betaalt (leg 2). EURIBOR is de Euro Interbank Offered Rate, een referentietarief voor kredietverlening tussen banken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook sommige derivaten vertonen overeenkomsten met kredietverlening. Zo worden onder de benaming ‘prepaid swap’ producten aangeboden die in de basis een gewone renteswap zijn, maar waarbij één ‘leg’ wordt vooruitbetaald.1 Daardoor krijgt één van de partijen tijdelijk de beschikking over een geldsom. Bijvoorbeeld, A ruilt met B een vaste rente voor een variabele rente, beide over € 10 miljoen hoofdsom en met een looptijd van vijf jaar. B betaalt vervolgens de contant gemaakte vaste rente bij het aangaan van de swap vooruit aan A, terwijl A de variabele rente regulier in termijnen aan B betaalt. Per saldo krijgt A door deze handelwijze een bedrag ineens en betaalt hij dat bedrag in termijnen met rente terug aan B.
Een kredietachtige situatie kan ook worden bereikt door een bank of andere financier tussen te schuiven in een transactieketen. Bijvoorbeeld, A BV is eigenaar van een hoeveelheid brandstof ter waarde van € 100 miljoen die zich in een tanker onderweg van Singapore naar Rotterdam bevindt. A BV wil de brandstof verkopen aan haar zustermaatschappij B BV. In plaats van rechtstreeks aan B BV te verkopen, verkoopt A BV de brandstof aan bank X NV onder de voorwaarde van onmiddellijke betaling. X NV verkoopt de brandstof vervolgens door aan B BV met een betalingstermijn van zestig dagen. Uiteraard is de prijs waarvoor X NV de brandstof doorverkoopt hoger dan deprijs waarvoor zij de brandstof van A BV heeft gekocht. X NV moet immers haar eigen financieringslasten dekken en wil bovendien winst maken. Aangenomen mag worden dat X NV met een bepaalde interest rekent.