Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/325:325 Wenselijk recht: een mogelijkheid tot substitutie in geval van inning van een openbaar verpande vordering door de pandgever
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/325
325 Wenselijk recht: een mogelijkheid tot substitutie in geval van inning van een openbaar verpande vordering door de pandgever
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD51538:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is voorstelbaar dat de houder van een openbaar pandrecht er de voorkeur aan geeft de verpande vordering niet zelf te innen, maar de inning aan de pandgever wenst over te laten, bijvoorbeeld omdat hij verwacht dat inning door de pandgever tot een beter resultaat zal leiden. In die situatie kan de pandhouder aan de pandgever toestemming voor de inning geven, waardoor de pandgever bevoegd wordt de vordering te innen.1 Int de pandgever de verpande vordering met toestemming van de pandhouder, dan ontstaan naar geldend recht op het geïnde geen substitutiepandrechten.2
Om de in paragraaf 11.5.1 genoemde redenen is aan substitutie in die situatie ook niet steeds behoefte: denkbaar is dat de pandhouder er genoegen mee neemt dat hij zijn bijzondere verhaalspositie ten aanzien van de aan hem verpande vordering casu quo het geïnde verliest. Denkbaar is echter ook dat de pandhouder de inning aan de pandgever wenst over te laten, maar wel zijn bijzondere verhaalspositie wenst veilig te stellen. In dat geval zouden de pandgever en de pandhouder mijns inziens moeten kunnen overeenkomen dat de pandgever de verpande vorderingen int op een kwaliteitsrekening. In dat geval zou substitutie van de op de vordering(en) rustende pandrechten moeten plaatsvinden. Volstaan zou kunnen worden met de bepaling dat de pandgever en de pandhouder kunnen overeenkomen dat de pandgever de vordering int en dat alsdan de voor inning door de pandhouder geldende bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn.