Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.3.3.5
I.3.3.5 Aftrek bij gedeeltelijk gebruik voor een economische activiteit
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501377:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 13 maart 2008, zaak C-437/06, V-N 2008/14.20 (Securenta). Zie ook HvJ 16 juli 2015, zaken C-108/14 en C-109/14, BNB 2016/25, r.o. 19 (concl. A-G Mengozzi; Larentia + Minerva/Marenave; m.nt. J.J.P. Swinkels).
HvJ 11 juli 1991, zaak C-97/90, FED 1991/647 (Lennartz; m.aant. D.B. Bijl); HvJ 14 juni 2005, zaak C-434/03, BNB 2005/284 (concl. A-G Jacobs; Charles; m.nt. B.G. van Zadelhoff); HvJ 12 februari 2009, zaak C-515/07, BNB 2009/202 (concl. A-G Mengozzi; VNLTO; m.nt. B.G. van Zadelhoff). De werking aan etikettering is in relatie tot onroerende zaken overigens weggenomen door een wijziging van artikel 15, lid 1, Wet OB 1968 (artikel 168bis Btw-richtlijn) per 1 januari 2011.
R.o. 33-34.
HR 15 juni 2012, BNB 2012/222, r.o. 3.4.3. (concl. A-G Van Hilten; m.nt. D.B. Bijl). Deze zaak betreft een regionaal opleidingscentrum (ROC), dat kosten maakte voor zowel haar activiteit (en) als ondernemer als voor daarbuiten gelegen aangelegenheden. De Hoge Raad verwijst in zijn arrest naar de zaak Securenta en accordeert de splitsing in de voorbelasting die het gerechtshof heeft gemaakt.
Besluit van 25 november 2011, nr. BLKB 2011/641M, V-N 2012/6.16, onderdeel 3.4.1.
Zie over andere complicaties M.M. Gabriël & H.W.M. van Kesteren, ‘Het berekenen van een “pre pro rata”’, NTFR 2010/2415.
Soms gebruikt een ondernemer ingekochte goederen en diensten zowel voor zijn economische activiteit als voor andere doeleinden. Een voor dit onderzoek toepasselijk voorbeeld is een vennootschap die kosten maakt voor het aantrekken van financiering, waarbij een deel van de financiering wordt aangewend voor een economische activiteit en een deel niet. Uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Securenta volgt dat in deze omstandigheden slechts recht op aftrek van voorbelasting bestaat voor zover de goederen en diensten zijn gebruikt voor de economische activiteit.1 In het specifieke geval van het aantrekken van financiering is daarvan sprake voor zover het opgehaalde geld in de economische activiteit vloeit. Een uitzondering op die regel geldt als etikettering van de ingekochte prestaties mogelijk is. In dat geval heeft de ondernemer de keuze om bij de bepaling van het recht op aftrek van voorbelasting aan te nemen dat hij ingekochte prestaties geheel voor ondernemingsdoeleinden gebruikt, geheel voor privédoeleinden of gemengd. Etikettering is echter alleen mogelijk indien en voor zover de Wet OB 1968 (of de Btwrichtlijn) voor het gebruik buiten het kader van de economische activiteit in een heffingsmechanisme voorziet.2
In zijn arrest in de zaak Securenta stelt het Hof van Justitie vast dat de Btw-richtlijn geen methode voorschrijft om de aftrekbare voorbelasting te bepalen voor het geval dat kosten deels gemaakt zijn voor doeleinden die buiten de onderneming liggen.3 Daarom staat het lidstaten vrij zelf methoden en criteria vast te stellen. In Nederland is dat niet gebeurd in of krachtens de Wet OB 1968. Deze lacune betekent naar het oordeel van de Hoge Raad echter niet dat het gebruik buiten het kader van een economische activiteit zomaar mag worden genegeerd.4 Voor de verdeling van de voorbelasting moet in principe van geval tot geval een zo goed mogelijke methode worden gezocht. De staatssecretaris van Financiën geeft daarvoor in een beleidsbesluit enige aanwijzingen, waaronder:5
‘De vaststelling van de verdeelsleutel is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Bij de verdeelsleutel dient aansluiting te worden gezocht bij objectieve factoren zoals omzetverhoudingen, m2, m3, opbrengsten of kosten, onder voorwaarde dat deze zoveel mogelijk recht doen aan het gebruik dat van de goederen en diensten wordt gemaakt.’
Deze aanwijzingen bieden slechts beperkt houvast. Daarnaast is denkbaar dat de verhouding die uit de door de staatssecretaris genoemde factoren voortvloeit, pas kan worden vastgesteld na het indienen van de aangifte waarin het aftrekrecht op de juiste manier moet worden uitgeoefend. Dat wringt, temeer omdat geen herzieningsmogelijkheid bestaat.6 Daarom, en vanwege het ontbreken van een heldere wettelijke regeling voor de verdeling van voorbelasting, zou een ondernemer naar mijn mening moeten kunnen volstaan met een verdeling op basis van een redelijke en onderbouwde schatting op het moment dat hij voorbelasting in aftrek brengt. Meer dan een marginale toetsing door de fiscus vormt mijns inziens een onevenredige inbreuk op de rechtszekerheid.
Er zijn ten slotte nog meer redenen voor het betrachten van enige soepelheid ten opzichte van belastingplichtigen. Het laat zich immers aanzien dat het vaststellen van gemengd gebruik van ingekochte goederen en diensten onder omstandigheden een lastige aangelegenheid is die zeer met waarderingen van feitelijke aard verweven is. Gebruikt een ondernemer/eenmanszaak zijn bedrijfsterrein bijvoorbeeld al gemengd als hij daar op zaterdag een uurtje voetbalt met zijn zoon? En heeft een vennootschap die buiten het kader van haar economische activiteit een kleine deelneming in een andere vennootschap houdt daardoor geen volledig recht meer op aftrek van voorbelasting voor haar accountantskosten? Met dergelijke omstandigheden rekening houden betekent weliswaar een hoge mate van verfijning, maar tegelijk een weerslag op de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid van de belasting.