De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.3.2:10.3.2 Wie is volgens het bestuursrecht vergunninghouder?
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.3.2
10.3.2 Wie is volgens het bestuursrecht vergunninghouder?
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383425:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 13 mei 1996, AB 1996/312, m.nt. F.C.M.A. Michiels (Maximillian).
Mathey-Bal 2011.
Zie o.a. art. 14 lid 2 en 21 lid 2 Besluit personenvervoer 2000 (Bp2000), art. 9Wp2000.
Zie Richtlijn voor strafvordering Wet personenvervoer2000.
Art. 15 Tabakswet en HR 25 mei 1934, NJ 1934, p. 1714, m.nt. P. Scholten.
Zie uitgebreid hierover: Mathey-Bal 2011.
Mathey-Bal 2011.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de vraag wie rechthebbende kan zijn van een vergunning, zijn de terminologie in de bestuurswet of de aard van de vergunning doorslaggevend. Bestuursrechtelijk komt een vergunning toe aan degene die door de wet die de desbetreffende vergunning regelt, wordt aangewezen als normadressaat en dus als vergunninghouder. Een VOF kan als zodanig als belanghebbende onder andere een vergunning aanvragen en bezwaar maken tegen een eventueel afwijzend besluit, omdat het de VOF is die maatschappelijk en economisch gezien de onderneming exploiteert.1 Het bestuursrecht gaat daarbij nog een stapje verder dan het burgerlijk recht (dat aan de VOF al een zekere mate van zelfstandigheid toekent) door toe te staan dat de VOF die een vergunning heeft aangevraagd na toewijzing van de vergunning hiervan ook zelfstandig rechthebbende is. Of een VOF rechthebbende kan zijn van een specifieke vergunning, hangt af van wie de desbetreffende bestuurswet aanwijst als normadressaat. Dit kunnen de afzonderlijke vennoten zijn, maar ook de VOF als zodanig of de VOF en de vennoten gezamenlijk.2
Soms wijst de wet expliciet de VOF aan als vergunninghouder, al dan niet tezamen met de vennoten. Een voorbeeld is de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000); de vennoten en de vennootschap worden aangewezen als gezamenlijke houders (‘vervoerder’) van de ondernemersvergunning voor taxivervoer3 en het is mogelijk de verplicht in de taxi’s aanwezige vergunningbewijzen alleen op naam van de vennootschap te stellen (art. 18 lid 2 Bp2000). Veel strafbepalingen uit de Wp2000 en het daarop gebaseerde besluit richten zich tot deze vervoerder,4 maar ook aan de afzonderlijke vennoten worden eisen als betrouwbaarheid en vakbekwaamheid gesteld. Een bedrijfsvergunning in het kader van de Tabakswet kon worden verkregen door een ‘vennootschap’, waaronder ook de VOF viel.5
De normadressaat wordt niet altijd duidelijk aangewezen. In een dergelijk geval geven de aard van de vergunning en/of de bedoeling van de wetgever de doorslag. Soms is de aard van de vergunning zodanig dat zij alleen aan natuurlijke personen kan worden verleend (bijv. een Bewonersparkeervergunning Gehandicapten), terwijl in andere gevallen niets aan vergunningverlening aan een VOF in de weg staat (bijv. een parkeervergunning voor bedrijven). Over de vraag of een VOF houder kan zijn van een omgevingsvergunning schept de in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gebruikte terminologie geen duidelijkheid. De wet gebruikt enerzijds termen die ook de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid lijken aan te wijzen als houder van een omgevingsvergunning, maar bezigt anderzijds ook privaatrechtelijke begrippen die er op lijken te duiden dat alleen natuurlijke en rechtspersonen vergunninghouder kunnen zijn.6 Uit de bedoeling van de wetgever en de jurisprudentie volgt dat in elk geval alle vennoten afzonderlijk als vergunninghouders hebben te gelden.7 Het antwoord op de vraag wie vergunninghouder is, is onder andere van belang in verband met de hierna te bespreken handhaving.