Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:78 BW:Schadevergoeding in geval van overmacht
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:78 BW
Schadevergoeding in geval van overmacht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. W.L. Valk, actueel t/m 29-12-2025
Actueel t/m
29-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. W.L. Valk
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:78 BW
Volgens art. 6:74 lid 1 BW heeft de schuldeiser in geval van overmacht geen aanspraak op schadevergoeding. Art. 6:78 BW verzacht deze regel voor het geval de schuldenaar in verband met de tekortkoming een voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad. In dat geval heeft de schuldeiser met toepassing van de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking recht op vergoeding van zijn schade tot ten hoogste het bedrag van dit voordeel.
De samenhang met art. 6:74 lid 1 BW brengt met zich mee dat art. 6:78 BW pas tot toepassing komt als het beroep van de schuldenaar op overmacht slaagt. Ter zake van dit beroep op overmacht draagt de schuldenaar de stelplicht en bewijslast.1 De schuldeiser die zich op de regel van art. 6:78 BW beroept, behoeft dus geen feiten te stellen of te bewijzen met betrekking tot de omstandigheid die in de aanhef van art. 6:78 BW is vermeld, namelijk dat de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Dat die omstandigheid zich voordoet, volgt reeds uit het slagen van het door de schuldenaar ingeroepen verweermiddel van overmacht. Wel dient deze schuldeiser feiten te stellen (en bij voldoende betwisting bewijzen) waaruit volgt dat de schuldenaar in verband met de tekortkoming een voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad (lid 1 vervolg).
Ter zake van de hoogte van de aanspraak van de schuldeiser verwijst art. 6:78 lid 1 BW naar de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking. Daaruit volgt dat de aanspraak van de schuldeiser onderworpen is aan de drie plafonds van art. 6:212 BW: niet meer dan de door de schuldeiser geleden schade, niet meer dan het door de schuldenaar genoten voordeel (de verrijking) en niet meer dan voor zover dit redelijk is. Voor elk van deze plafonds geldt dat het de schuldeiser is die de stelplicht en bewijslast draagt. Wel is te bedenken dat wat betreft de door de schuldeiser geleden schade de gewone regels van stelplicht en bewijslast niet ten volle van toepassing zijn, omdat, indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zij mag worden geschat (art. 6:97 BW).2 Mogelijk valt naar analogie hetzelfde aan te nemen voor de omvang van het door de schuldenaar genoten voordeel. Verder is de vraag wat redelijk is in de eerste plaats een kwestie van waardering. Voor zover die waardering echter afhankelijk is van feiten die tussen partijen in geschil zijn, past het bij de formulering āvoor zover dit redelijk isā in art. 6:212 lid 1 BW om aan te nemen dat de schuldeiser in zoverre wel degelijk de bewijslast en het bewijsrisico draagt.
Vordering op een derde (lid 2)
Lid 2 geeft een nadere regel voor het geval het voordeel van de schuldenaar bestaat uit een vordering op een derde. In dit geval kan de schuldenaar volstaan met overdracht van die vordering. Er is sprake van een bevoegdheid van de schuldenaar. De schuldeiser die de schuldenaar wil verplichten tot een zodanige overdracht, kan zich daarvoor niet op art. 6:78 BW beroepen. Eventueel zal art. 6:103 BW een grondslag kunnen vormen voor een vordering van de schuldeiser.3
Art. 6:78 lid 2 BW ziet dus op het geval dat de schuldeiser aanspraak maakt op schadevergoeding in geld en dat daartegenover de schuldenaar zich erop beroept dat zijn voordeel bestaat in een vordering op een derde en bovendien dat hij bereid is die vordering aan de schuldeiser over te dragen. Dit valt te beschouwen als een (bevrijdend) verweer,4 omdat het immers niet de betwisting inhoudt van hetgeen de schuldeiser overeenkomstig lid 1 aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, maar een daarbuiten gelegen grond voor afwijzing van het gevorderde. In dit geval is het dus de schuldenaar die van de bedoelde feiten de bewijslast draagt.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:78 BW
Schadevergoeding in geval van overmacht
mr. W.L. Valk, actueel t/m 29-12-2025
29-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. W.L. Valk
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:78 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 78
Schadevergoedingsplicht ondanks overmacht (lid 1)
Volgens art. 6:74 lid 1 BW heeft de schuldeiser in geval van overmacht geen aanspraak op schadevergoeding. Art. 6:78 BW verzacht deze regel voor het geval de schuldenaar in verband met de tekortkoming een voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad. In dat geval heeft de schuldeiser met toepassing van de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking recht op vergoeding van zijn schade tot ten hoogste het bedrag van dit voordeel.
De samenhang met art. 6:74 lid 1 BW brengt met zich mee dat art. 6:78 BW pas tot toepassing komt als het beroep van de schuldenaar op overmacht slaagt. Ter zake van dit beroep op overmacht draagt de schuldenaar de stelplicht en bewijslast.1 De schuldeiser die zich op de regel van art. 6:78 BW beroept, behoeft dus geen feiten te stellen of te bewijzen met betrekking tot de omstandigheid die in de aanhef van art. 6:78 BW is vermeld, namelijk dat de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Dat die omstandigheid zich voordoet, volgt reeds uit het slagen van het door de schuldenaar ingeroepen verweermiddel van overmacht. Wel dient deze schuldeiser feiten te stellen (en bij voldoende betwisting bewijzen) waaruit volgt dat de schuldenaar in verband met de tekortkoming een voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad (lid 1 vervolg).
Ter zake van de hoogte van de aanspraak van de schuldeiser verwijst art. 6:78 lid 1 BW naar de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking. Daaruit volgt dat de aanspraak van de schuldeiser onderworpen is aan de drie plafonds van art. 6:212 BW: niet meer dan de door de schuldeiser geleden schade, niet meer dan het door de schuldenaar genoten voordeel (de verrijking) en niet meer dan voor zover dit redelijk is. Voor elk van deze plafonds geldt dat het de schuldeiser is die de stelplicht en bewijslast draagt. Wel is te bedenken dat wat betreft de door de schuldeiser geleden schade de gewone regels van stelplicht en bewijslast niet ten volle van toepassing zijn, omdat, indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zij mag worden geschat (art. 6:97 BW).2 Mogelijk valt naar analogie hetzelfde aan te nemen voor de omvang van het door de schuldenaar genoten voordeel. Verder is de vraag wat redelijk is in de eerste plaats een kwestie van waardering. Voor zover die waardering echter afhankelijk is van feiten die tussen partijen in geschil zijn, past het bij de formulering āvoor zover dit redelijk isā in art. 6:212 lid 1 BW om aan te nemen dat de schuldeiser in zoverre wel degelijk de bewijslast en het bewijsrisico draagt.
Vordering op een derde (lid 2)
Lid 2 geeft een nadere regel voor het geval het voordeel van de schuldenaar bestaat uit een vordering op een derde. In dit geval kan de schuldenaar volstaan met overdracht van die vordering. Er is sprake van een bevoegdheid van de schuldenaar. De schuldeiser die de schuldenaar wil verplichten tot een zodanige overdracht, kan zich daarvoor niet op art. 6:78 BW beroepen. Eventueel zal art. 6:103 BW een grondslag kunnen vormen voor een vordering van de schuldeiser.3
Art. 6:78 lid 2 BW ziet dus op het geval dat de schuldeiser aanspraak maakt op schadevergoeding in geld en dat daartegenover de schuldenaar zich erop beroept dat zijn voordeel bestaat in een vordering op een derde en bovendien dat hij bereid is die vordering aan de schuldeiser over te dragen. Dit valt te beschouwen als een (bevrijdend) verweer,4 omdat het immers niet de betwisting inhoudt van hetgeen de schuldeiser overeenkomstig lid 1 aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, maar een daarbuiten gelegen grond voor afwijzing van het gevorderde. In dit geval is het dus de schuldenaar die van de bedoelde feiten de bewijslast draagt.
Voetnoten
1.
Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74-6:77 BW.
2.
Vgl. Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast,, commentaar op art. 6:97 BW.
3.
Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:78 BW, aant. 3.3.
4.
Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht & Bewijslast 3 (Inleiding).