Inhoudsopgave
WFR 2025/2:Uiteindelijk gerechtigde als voorwaarde voor de inhoudingsvrijstelling en de (on)verenigbaarheid met het Unierecht
WFR 2025/2
Uiteindelijk gerechtigde als voorwaarde voor de inhoudingsvrijstelling en de (on)verenigbaarheid met het Unierecht
Documentgegevens:
S.P. van Mierlo LLM & mr. dr. R. Snoeij, datum 16-12-2024
- Datum
16-12-2024
- Auteur
S.P. van Mierlo LLM & mr. dr. R. Snoeij1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS993421:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Dividendbelasting / Algemeen
Dividendbelasting / Belastingplicht
Dividendbelasting / Inhoudingsvrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Dividendbelasting / Voorwerp van belasting
- Wetingang
Art. 4 Wet DB 1965, art. 25 Wet VPB 1969, Moeder-dochterrichtlijn
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit artikel behandelen de auteurs het vereiste van het zijn van uiteindelijk gerechtigde in situaties die worden bestreken door de Moeder-dochterrichtlijn. Er wordt ingegaan op de Unierechtelijke kwetsbaarheid van art. 4 lid 4 Wet DB 1965, de relevantie voor art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965 en de verhouding tot intra-EU-belastingverdragen.
1. Inleiding
Voor toepassing van de inhoudingsvrijstelling stelt art. 4 lid 4 Wet op de dividendbelasting 1965 (‘Wet DB 1965’) als voorwaarde dat de opbrengstgerechtigde aannemelijk maakt dat hij tevens de uiteindelijk gerechtigde is. Deze specifieke antimisbruikbepaling ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.