Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/394:394 Verpanding van nevenrechten
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/394
394 Verpanding van nevenrechten
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 12-05-2026
- Datum
12-05-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD105648:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor een nevenrecht dat niet tevens een van de vordering afhankelijk recht is, geldt dat daarop een pandrecht kan worden gevestigd als het voldoet aan de vereisten die gelden voor de verpandbaarheid van een vordering, zoals het vereiste dat deze overdraagbaar is.1 Voor de vestiging van een stil pandrecht geldt daarnaast, zolang het recht toekomstig is, dat het rechtstreeks moet voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding.2 Is een nevenrecht voor verpanding vatbaar, dan is het aan de pandhouder en de pandgever om te bepalen of een voor verpanding vatbaar nevenrecht wordt ‘meeverpand’.
Is een nevenrecht niet overdraagbaar, dan zal dat veelal zijn omdat de aard van het nevenrecht zich tegen overdracht verzet. Denkbaar is ook dat de aard van het nevenrecht met zich brengt dat het wel voor overdracht (en verpanding) in combinatie met het hoofdrecht in aanmerking komt, maar niet voor afzonderlijke overdracht of verpanding.
Of een voor verpanding vatbaar nevenrecht is verpand, moet worden bepaald door uitleg van de aan de verpanding ten grondslag liggende titel én van hetgeen de pandgever en de pandhouder zijn overeengekomen in de pandakte.3
Een voorbeeld van een voor zelfstandige overdracht en bijgevolg voor verpanding vatbaar nevenrecht, is het recht op bedongen, maar nog niet opeisbare rente.4 Is dit recht niet expliciet ‘meeverpand’ of juist expliciet van de verpanding uitgesloten, dan is het een kwestie van uitleg of ook de (toekomstige) vordering terzake van bedongen rente verpand is. In de meeste gevallen zal de conclusie wel zijn dat het recht op rente ‘meeverpand’ is. De stelling dat “(...) moet worden aangenomen dat pandrecht op een rentedragende vordering de vordering tot betaling van de rente omvat”5 is naar mijn mening te absoluut.