Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.6
IX.3.6 Belangrijkste bevindingen voor het huidige recht
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS355279:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Dit zou alleen dan anders zijn, indien de toekomstige onzekere gebeurtenis is gelegen in een potestatieve voorwaarde waarvan de vervulling geheel in de macht ligt van de schuldenaar en waarbij het ontstaan van de schuld het direct beoogde gevolg is van een wilsverklaring of een gedraging van de schuldenaar en niet slechts een nevengevolg (zie nr. 888). Bovendien kan uit de aard van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding of de partijbedoeling volgen dat het ontstaan van de vordering afhankelijk is van het verrichten van daarvoor bedongen tegenprestatie (vgl. huur) of van een andere omstandigheid, zoals een “ingrijpende” wijziging van de rechtsverhouding als gevolg van opzegging of ontbinding (zie het arrest ING Bank/Nederend q.q. (NJ 2010, 653)).
Zie HR 25 maart 1988, NJ 1989, 200, m.nt. WMK.
Zie nr. 888.
Zie onder meer: HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G (WUH/Emmerig q.q.); HR 25 maart 1988, NJ 1989, 200, m.nt. WMK (Staal Bankiers/Ambags q.q.); HR 5 januari 1990, NJ 1990, 325 (Dubbeld/Laman); HR 29 oktober 2004, NJ 2006, 203, m.nt. HJS (Van den Bergh/Van der Walle en ABN-AMRO) en HR 3 december 2010, NJ 2010, 653 (ING Bank/Nederend q.q.).
Zie HR 3 mei 2002, NJ 2002, 393, m.nt. PvS.
907. Algemeen. Duidelijk is dat van een bestaande vordering alleen sprake kan zijn, indien de vordering beantwoordt aan de essentialia van een verbintenis. In het bijzonder is van belang dat de ontstaansbron van de verbintenis al aanwezig is, dat het voorwerp van de verbintenis voldoende bepaalbaar is en dat de schuldenaar zich werkelijk tegenover de schuldeiser bindt. Als (nog) niet is voldaan aan de wezenskenmerken van een verbintenis, heeft de vordering zonder meer als een toekomstige te gelden. Zo zijn vorderingen uit nog te sluiten overeenkomsten derhalve toekomstige vorderingen.
Indien aan de essentialia van een verbintenis is voldaan en bovendien vaststaat dat de schuldenaar werkelijk gehouden is nu of in de toekomst jegens de schuldeiser een prestatie te verrichten, dan staat daarmee in de regel tevens vast dat er sprake is van een verbintenis en dus van een bestaande vordering. Direct opeisbare vorderingen en vorderingen waarvan de opeisbaarheid enkel afhankelijk is van tijdsverloop zijn bestaande vorderingen.
Verder blijkt uit de wettelijke regeling van de voorwaardelijke verbintenis dat het gegeven dat de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk is van een toekomstige onzekere omstandigheid niet noodzakelijk met zich brengt dat de vordering een toekomstige is. Voorwaardelijke verbintenissen moeten volgens de wetgever worden aangemerkt als bestaande verbintenissen waarmee bestaande vorderingen corresponderen.
Voor het overige zijn er naar huidig recht echter geen duidelijke criteria aan de hand waarvan bestaande en toekomstige vorderingen van elkaar kunnen worden onderscheiden. Zo rijst in het bijzonder de vraag of, zoals in dit onderzoek wordt bepleit, tot uitgangspunt mag worden genomen dat de vordering bestaat, zodra aan de genoemde wezenskenmerken van een verbintenis is voldaan. In geval van een bevestigend antwoord zouden toekomstige onzekere omstandigheden waarvan de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk is, in beginsel altijd kunnen worden aangemerkt als opschortende voorwaarden van een bestaande verbintenis.1 Niettemin lijkt de Hoge Raad in het arrest Staal Bankiers/ Ambags q.q. – geheel duidelijk is dit echter niet – de vraag ontkennend te beantwoorden.2 Hij lijkt een onderscheid te maken tussen enerzijds toekomstige onzekere omstandigheden die ‘ontstaansvereisten’ voor de vordering zijn en anderzijds omstandigheden die als ‘voorwaarden’ kunnen worden aangemerkt. Waarin een ‘ontstaansvereiste’ verschilt van een ‘voorwaarde’ maakt de Hoge Raad echter niet duidelijk. Het onderscheid tussen toekomstige vorderingen en bestaande vorderingen onder opschortende voorwaarde is zodoende evenmin duidelijk.
Verder lijkt de Hoge Raad in het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. in algemene zin te oordelen, dat vorderingen die afhankelijk zijn van wilsverklaringen van de schuldenaar zonder meer als toekomstige vorderingen hebben te gelden. Zelfs indien er geen sprake is van een ongeldige potestatieve voorwaarde die met zich brengt dat de schuldenaar zich niet werkelijk ten opzichte van zijn schuldeiser bindt. Ook met betrekking tot vorderingen die afhankelijk zijn van wilsverklaringen van de schuldeiser zijn er uitspraken van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat de vordering voor het uitbrengen van de wilsverklaring een toekomstige is. In die gevallen lijkt de Hoge Raad echter niet in algemene zin te oordelen, maar motiveert hij zijn oordeel (mede) met een beroep op andere omstandigheden.3 Vorderingen die afhankelijk zijn van een wilsverklaring van de schuldeiser kunnen dus bestaande voorwaardelijke vorderingen zijn.
908. Vorderingen uit overeenkomst. Voor wat betreft vorderingen die voortvloeien uit een obligatoire overeenkomst is het goed verdedigbaar dat het beginsel van de “verbindende kracht” van de overeenkomst rechtvaardigt om deze als bestaande vorderingen aan te merken. Dit is slechts anders indien (nog) niet aan de essentialia van een verbintenis is voldaan of als krachtens partijbedoeling of de aard van de overeenkomst het ontstaan van de vordering afhankelijk is van bepaalde toekomstige onzekere gebeurtenissen, zoals het verrichten van de voor de vordering bedongen tegenprestatie (vgl. huurvorderingen). Het feit dat de overeenkomst een duurovereenkomst betreft, doet aan het beginsel van de “verbindende kracht” van de overeenkomst niet af. Ook hier geldt evenwel dat op grond van de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad geenszins zeker is of deze benadering als positief recht kan worden aangemerkt.4 Daarvoor is een duidelijke uitspraak van de Hoge Raad vereist.
909. Vorderingen uit de wet en uit publiekrechtelijke rechtsverhoudingen. Ten aanzien van vorderingen uit de wet wordt in de literatuur verdedigd dat deze pas ontstaan, indien aan alle door de wet gestelde ‘eisen’ is voldaan. Een dergelijke algemene regel lijkt blijkens het arrest Gomez/Joral echter niet door de Hoge Raad te worden aanvaard.5 Voor vorderingen uit de wet of uit publiekrechtelijke rechtsverhoudingen zal van geval tot geval moeten worden vastgesteld welk rechtsfeit of samenstel van rechtsfeiten de vordering doet ontstaan. Dit zal mede aan de hand van de (ratio van de) toepasselijke wettelijke regeling(en) dienen te worden beoordeeld. Publiekrechtelijke vorderingen ontstaan over het algemeen rechtstreeks uit de wet of uit een beschikking van een bestuursorgaan.
Ook voor vorderingen uit de wet of uit publiekrechtelijke rechtsverhoudingen geldt dat zij afhankelijk kunnen zijn van een opschortende voorwaarde of tijdsbepaling. Evenals bij vorderingen uit rechtshandeling maakt dit de vordering nog niet een toekomstige. Het is dan ook goed mogelijk dat bepaalde wettelijke ‘eisen’ waarvan de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk is, kunnen worden aangemerkt als opschortende voorwaarden of tijdsbepalingen.