Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/263
263 Algemene vereisten
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD40643:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Deze algemene vereisten en gevolgen zijn geregeld in afdeling 6.1.12 BW. Er zijn buiten deze afdeling echter diverse bijzondere bepalingen die van belang zijn voor de mogelijkheid tot en de gevolgen van verrekening, zoals de regels voor verrekening tijdens en kort voor een faillissement (art. 47 en 53-55 Fw).
Art. 6:127 BW. Zie over deze vereisten bijvoorbeeld Dirix en Kortmann 1989, nr. 2, Peletier 1996, p. 23-37, Asser/Hartkamp 4-I 2004, nr. 532-536 en Faber 2005, hoofdstuk 2.
Hetgeen bijvoorbeeld wel het geval is als de partij die verrekent ‘aandelen Ahold’ verschuldigd is en te vorderen heeft, maar niet indien hij aandelen Ahold verschuldigd is en betaling van een geldsom te vorderen heeft.
Dit vereiste is een aanscherping van het wederkerigheidsvereiste. Aan dat vereiste is niet voldaan als partijen weliswaar over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn, maar aan de zijde van één partij de vordering en de schuld in van elkaar afgescheiden vermogens vallen. Een voorbeeld van zo een afgescheiden vermogen is een bijzondere gemeenschap (vgl. afd. 3.7.2 BW). Zie hierover Faber 2005, nr. 86-92.
In dit hoofdstuk wordt onderzocht wat de gevolgen zijn van de vestiging van een pandrecht op een vordering en van het inningsbevoegd worden van de pandhouder voor de mogelijkheden van de pandgever, de pandhouder en de debiteur om de verpande vordering te verrekenen met een andere vordering. De algemeen geldende vereisten voor en de gevolgen van verrekening blijven in beginsel buiten beschouwing.1 Volstaan wordt met het noemen van deze algemene vereisten.2
Twee partijen hebben elk een vordering op elkaar (en derhalve een schuld aan elkaar), ook wel het vereiste van wederkerig schuldenaarschap genoemd.
De vordering van de partij die zijn verrekeningsbevoegdheid uitoefent, beantwoordt aan zijn schuld in die zin, dat hij bevoegd is zijn schuld te voldoen met de prestatie waarop hij recht heeft.3
De partij die zijn verrekeningsbevoegdheid uitoefent, is bevoegd betaling van zijn vordering af te dwingen.
De partij die verrekent is bevoegd zijn schuld te voldoen.
De vordering en de schuld die door de verrekening teniet zouden gaan vallen niet in van elkaar gescheiden vermogens.4
Deze vereisten en de overige op verrekening betrekking hebbende bepalingen in afdeling 12, Titel 1, Boek 6 BW zijn van regelend recht. Partijen kunnen zowel beperkingen als uitbreidingen van de in deze afdeling opgenomen verrekeningsmogelijkheden overeenkomen. Enkele bijzondere, dwingende wetsbepalingen beperken deze vrijheid.5