Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.4.5.2.1
II.4.5.2.1 Ondernemerschap van zuivere aandeelhouders
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS493027:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 20 juni 1991, zaak C-60/90, FED 1991/633 (concl. A-G Van Gerven; Polysar; m.aant. D.B. Bijl).
Idem, r.o. 15-16. Zie voor een letterlijke weergave van het standpunt van de Nederlandse regering Van Zadelhoff 2016, p. 65.
R.o. 14.
HvJ 14 november 2000, zaak C-142/99, FED 2001/179, r.o. 19 (Floridienne/Berginvest; m.aant. J.J.P. Swinkels). Zie ook HvJ 12 juli 2001, zaak C-102/00, BNB 2002/182 (Welthgrove; m.nt. M.E. van Hilten); HvJ 27 september 2001, zaak C-16/00, V-N 2001/55.7 (Cibo); HvJ 6 april 1995, zaak C-4/94, V-N 1995, p. 3030 (BLP); HvJ 29 oktober 2009, zaak C-29/08, BNB 2010/251, r.o. 30 (concl. A-G Mengozzi; AB SKF; m.nt. J.J.P. Swinkels); HvJ 6 september 2012, zaak C-496/11, V-N 2012/51.21, r.o. 34 (Portugal Telecom); HvJ 16 juli 2015, zaken C-108/14 en C-109/14, BNB 2016/25, r.o. 21 (concl. A-G Mengozzi; Larentia + Minerva/Marenave; m.nt. J.J.P. Swinkels).
Vgl. HvJ 5 februari 1981, zaak 154/80, BNB 1981/232 (Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats;m.nt. C.P. Tuk),
HR 10 december 1980, BNB 1981/44 (concl. A-G Van Soest; m.nt. C.P. Tuk).
TC 6 december 1955, BNB 1956/87 (m.nt. C.P. Tuk). Zie ook C.P. Tuk, Wet op de omzetbelasting 1968, Deventer: Kluwer 1979, p. 86-87.
Omdat het enkel verkrijgen en houden van aandelen geen prestatie onder bezwarende titel is, kan dit op zichzelf bezien geen exploitatie zijn van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, en ook geen economische activiteit van andere aard.1 Het vereiste streven naar opbrengst uit prestaties onder bezwarende titel ontbreekt immers (vgl. par. 3.2.3). Daarnaast kan ondernemerschap ook niet worden ontleend aan de omstandigheid dat een houdstervennootschap onderdeel is van een concern. Het andersluidende standpunt op dit punt van de Nederlandse regering heeft het Hof van Justitie in zijn arrest in de zaak Polysar uitdrukkelijk afgewezen.2 Natuurlijke personen en entiteiten die enkel aandelen verkrijgen en houden, zijn daarom geen ondernemer in de zin van artikel 7 Wet OB 1968 (artikel 9 Btw-richtlijn). Zij worden ook wel zuivere aandeelhouders genoemd of, in het geval van entiteiten, zuivere houdstermaatschappijen of holdings.3 In beginsel zijn deze aandeelhouders, die niet ondernemer zijn, als (eind)verbruikers te behandelen. Dit betekent, onder meer, dat zij geen recht op aftrek van voorbelasting hebben. Dit ligt slechts anders als een zuivere aandeelhouder in een fiscale eenheid is gevoegd (zie daarover par. 4.5.4.1).
In zijn arrest in de zaak Polysar geeft het Hof van Justitie aan dat zuiver aandeelhouderschap moet worden onderscheiden van ‘de deelneming [die] gepaard gaat met een zich direct of indirect moeien in het beheer van de vennootschappen waarin wordt deelgenomen, onverminderd de rechten die de houder van de deelnemingen als aandeelhouder of vennoot heeft’.4 In de arresten in de zaken Floridienne/Berginvest en Welthgrove is verduidelijkt dat een dergelijk moeien enkel tot een economische activiteit kan leiden als het gepaard gaat met prestaties onder bezwarende titel.5 Volgens het Hof van Justitie is niet van belang dat moeien ook in afwezigheid van (andere) prestaties onder bezwarende titel tot hogere opbrengsten uit de deelneming kan leiden. Voor zover die meeropbrengsten al subjectief vastgesteld kunnen worden, staan zij blijkbaar in een onvoldoende rechtstreeks verband tot de verleende beheerdiensten.6
In het arrest in de zaak Polysar (en latere jurisprudentie van het Hof van Justitie) kan een bevestiging worden gelezen van de juistheid van het arrest dat de Hoge Raad in BNB 1981/44 reeds wees. 7 Zowel dit arrest als het arrest in de zaak Polysar handelen over het ondernemerschap van een tussenhoudstervennootschap in een multinationaal concern. Evenmin als in de zaak Polysar maakt de concernrelatie verschil voor de uitkomst. Over de redenenwaarom het enkele houden van aandelen niet tot ondernemerschap leidt, is de Hoge Raad kort:
‘dat het Hof als vaststaand heeft aangemerkt dat belanghebbende sinds haar oprichting geen andere activiteiten heeft ontplooid dan het houden van 53,6% van de aandelen van de te W.-Dld. gevestigde maatschappij C GmbH;
dat het Hof dan ook terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende niet zelfstandig ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet);’
Voor de volledigheid merk ik op dat het arrest van de Hoge Raad het belastingjaar 1977 betreft. Toen gold de Zesde Richtlijn nog niet. De exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen was onder de destijds geldende wetgeving nog niet met een bedrijf gelijkgesteld, zoals nu in artikel 7, lid 2, onderdeel b, Wet OB 1968 het geval is (zie ook par. 3.2.5). De te toetsen norm was die van een bedrijf, ingevuld als ‘een organisatie van kapitaal en arbeid, welke erop is gericht om in een duurzaam streven door deelneming aan het maatschappelijk verkeer, maatschappelijke behoeften te bevredigen’.8