Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/215:215 Op welk moment ontstaat een absoluut toekomstige vordering?
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/215
215 Op welk moment ontstaat een absoluut toekomstige vordering?
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 27-10-2025
- Datum
27-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD29803:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierna par. 8.6.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In geval van een absoluut toekomstige vordering is in veel gevallen minder eenvoudig te bepalen of een vordering, op het moment waarop de pandgever als gevolg van zijn faillietverklaring beschikkingsonbevoegd wordt, tot zijn vermogen behoort. Heeft een vordering geen ‘toekomstig element’ in zich, dan zal veelal wel duidelijk zijn of de vordering reeds bestaat.1 Zo zal bij een eenvoudige koopovereenkomst de vordering tot betaling van een koopsom ontstaan door het sluiten van de overeenkomst. Heeft een vordering daarentegen wel een toekomstig element in zich, dan zal veelal niet duidelijk zijn op welk exact moment de vordering ontstaat. Bij zo een toekomstig element kan bijvoorbeeld worden gedacht aan in de toekomst te leveren prestaties, zoals bij een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Gedacht kan ook worden aan een aanspraak die ontstaat doordat van een wilsrecht gebruik wordt gemaakt, zoals in geval van een optie-overeenkomst.
Er is behoefte aan een criterium op grond waarvan in geval van faillietverklaring van de vervreemder casu quo de pandgever eenvoudig kan worden vastgesteld of een door hem bij voorbaat geleverde of verpande vordering al dan niet ‘in de boedel valt’. De fraaiste oplossing voor dit probleem zou een criterium zijn aan de hand waarvan voor alle vorderingen met een toekomstig element in zich kan worden bepaald op welk moment deze ontstaan. Dat criterium dient dan wel te voldoen aan het vereiste dat het leidt tot een redelijke uitkomst. Onder een redelijke uitkomst versta ik enerzijds dat bij voorbaat geleverde of verpande vorderingen die na de faillissementsdatum van de vervreemder of de pandgever ontstaan buiten de boedel vallen indien dat redelijk is. Anderzijds is het mijns inziens onwenselijk dat een rechtssubject kan beschikken over vorderingen die hij eerst na zijn faillissement verkrijgt zonder dat daar een goede rechtvaardiging voor is.