Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/IV.10.1.2.1:IV.10.1.2.1 Algemene thema’s
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/IV.10.1.2.1
IV.10.1.2.1 Algemene thema’s
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS494204:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ter beantwoording van de eerste onderzoeksvraag is allereerst ingegaan op drie algemene thema’s: het begrip economische activiteit, het recht op aftrek van voorbelasting en het verlengstukcriterium. Daarbij is een model ontwikkeld om de samenhang tussen deze thema’s te verduidelijken.
Een economische activiteit is het geheel van werkzaamheden dat een persoon of entiteit op grond van artikel 7 Wet OB 1968 (artikel 9 Btw-richtlijn) ondernemer (belastingplichtige) maakt. Het verwijst naar een bedrijfs- of beroepsuitoefening of een exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Kenmerkend voor een economische activiteit is een streven naar opbrengst uit belastbare prestaties (opbrengstcriterium). Dit streven is in beginsel niet incidenteel (regelmaatcriterium). Verder wordt een economische activiteit, onder meer, gekenmerkt door een zekere mate van professionaliteit (professionaliteitcriterium). Dit wordt in de jurisprudentie ook wel een bedrijfsmatig of commercieel oogmerk genoemd. Een kanttekening is dat uit recentere jurisprudentie lijkt te volgen dat een exploitatie al snel economisch is, mits er duurzame opbrengst is.
Een persoon of entiteit die ondernemer is, heeft op grond van artikel 15 Wet OB 1968 (artikel 168 Btw-richtlijn) recht op aftrek van voorbelasting voor zover hij ingekochte prestaties voor belaste handelingen gebruikt. Op basis van de jurisprudentie dient het vereiste van ‘gebruik voor belaste handelingen’ naar mijn mening ruim te worden uitgelegd. Aan dit vereiste wordt voldaan als een ondernemer kosten in het kader van zijn onderneming (economische activiteit) maakt, behalve voor zover hij de ingekochte goederen en diensten voor vrijgestelde prestaties gebruikt. Causaliteit, finaliteit en de objectieve inhoud van prestaties zijn hulpmiddelen bij het vaststellen van het gebruik van goederen en diensten. Volgens het Hof van Justitie dient in het bijzonder een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen inkopen en verkopen te bestaan, dan wel tussen inkopen en de economische activiteit als geheel. Wanneer een ondernemer kosten maakt voor ‘onbelastbare handelingen’, toetst de Hoge Raad of sprake is van onderlinge afhankelijkheid met prestaties onder bezwarende titel of anderszins van inbedding in een onderneming. Zo ja, dan zijn kosten in het kader van de onderneming gemaakt. In recentere arresten heeft de Hoge Raad aangegeven dat zijn beoordeling een nadere invulling is van de benadering van het Hof van Justitie.
Het verlengstukcriterium is ontwikkeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en verwijst naar werkzaamheden die een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van een belastbare activiteit zijn. Bij een zodanig verlengstuk handelt de betrokken persoon of entiteit in de hoedanigheid van ondernemer. Handelingen (prestaties) die tot een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van een belastbare activiteit behoren, zijn bovendien niet bijkomstig in de zin van artikel 174, lid 2, Btw-richtlijn. Daarom is de opbrengst uit dergelijke handelingen een in aanmerking te nemen factor bij de bepaling van de evenredige aftrek van voorbelasting op algemene kosten (het ‘pro rata’). De reikwijdte van het verlengstukcriterium is onzeker.
Mede om het verlengstukcriterium beter in een context te kunnen plaatsen, is het volgende model ontwikkeld:
Figuur 25 – Schillenmodel
Dit model beoogt een onderverdeling te tonen in de werkzaamheden waaruit een economische activiteit kan bestaan. De belastbare activiteit vormt de kern en bestaat uit werkzaamheden die kenmerkend zijn voor de betreffende economische activiteit (‘core business’). Het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare activiteit bestaat uit werkzaamheden die niet kenmerkend zijn voor de economische activiteit, maar daaruit systematisch voortvloeien (‘must haves’). Ten slotte zijn er overige werkzaamheden. Die behoren noch tot de belastbare activiteit noch tot het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk daarvan, maar houden er wel verband mee (‘nice to haves’). Enkel overige werkzaamheden kunnen bijkomstig zijn in de zin van artikel 174, lid 2, Btw-richtlijn.