Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/67
67 ‘Afsplitsing’ van het vorderingsrecht?
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 13-06-2025
- Datum
13-06-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD14289:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Meijers 1948, p. 280-281.
Vgl. Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 450. Zie voor de ontwikkeling van deze ‘afsplitsingsgedachte’, met uitgebreide literatuurverwijzingen, Rank-Berenschot 1992, par. 6.3.2-6.3.3 en Struycken 2007, p. 361-366.
Zie Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, nr. 464.
Zie Suijling 1940, nr. 9 en 81, Suijling 1948, nr. 61, Vriesendorp 1996, p. 106, Verhagen en Rongen 2000, par. 7.5.2, Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 9, Kortmann 2005 en Kortmann in zijn noot in JOR onder HR 11 maart 2005, JOR 2005/131 m.nt. SCJJK, NJ 2006, 362 m.nt. H.J. Snijders, JIN 2005/162 m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2006/2 m.nt. AvH (Rabobank/Erven Hengstmengel c.s.).
Vgl. Vriesendorp 1996, p. 106 en Struycken 2007, p. 361-366.
Zo ook Van Mierlo 1988, par. 6.2.1.
Zoals is betoogd door Land 1861, p. 13.
Zie over de mogelijkheid dat een bevoegdheid met betrekking tot een goed zowel aan de eigenaar als aan de beperkt gerechtigde toekomt De Jong 2006, nr. 18.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136 m.nt. Steef M. Bartman, NJ 2002, 447 m.nt. Ma (Akzo Nobel/ING).
Art. 2:403 en 404 BW; zie hierna par. 12.9.2.
Vgl. Struycken 2007, p. 362.
Vgl. De Jong 2006, nr. 18.
In de literatuur wordt de vestiging van een beperkt recht, veelal geïnspireerd door de ontwerper van het Burgerlijk Wetboek,1 wel voorgesteld als een ‘afsplitsing’ van een meeromvattend goederenrechtelijk recht zoals een eigendomsrecht: er wordt als het ware een ‘stukje’ van een goederenrechtelijk recht overgedragen aan de verkrijger van het beperkte recht.2 De tekst van art. 8 van Boek 3 BW bevordert deze voorstelling van zaken:
“Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht (...).”
Deze voorstelling van zaken staat op gespannen voet met het aan het Burgerlijk Wetboek ten grondslag liggende uitgangspunt dat de bevoegdheden van een eigenaar een eenheid vormen die niet kan worden gesplitst: twee personen kunnen wel samen eigenaar zijn van één zaak doordat aan hen samen al de bevoegdheden van de eigenaar van die zaak toekomen en zij afspraken kunnen maken over de uitoefening van die bevoegdheden, maar zij kunnen die bevoegdheden niet met goederenrechtelijke werking over hen beiden verdelen.3 Deze voorstelling van zaken is ook niet nodig om de goederenrechtelijke positie van de beperkt gerechtigde te kunnen verklaren: hij heeft die positie doordat de wet de eigenaar de mogelijkheid biedt om aan een derde rechten toe te kennen die hij niet alleen tegen de eigenaar, maar ook tegenover derden kan doen gelden. Van verkrijging van een deel van de eigendom is geen sprake.4
De voorstelling dat een beperkt recht een afsplitsing van een meer omvattend (eigendoms)recht is, kan wel een hulpmiddel zijn om het wettelijke systeem te doorgronden, aangezien de bepalingen die van toepassing zijn op de overdracht grotendeels van overeenkomstige toepassing zijn op de vestiging van beperkte rechten. Zo bezien kan wel worden gesteld dat het ‘afsplitsingsmodel’ aan ons stelsel van beperkte rechten ten grondslag ligt.5 Niet gerechtvaardigd is echter de conclusie dat de beperkt gerechtigde een deel van de eigendomsrechten verwerft en daardoor ten opzichte van het goed, ten opzichte van de ‘eerste’ eigenaar en ten opzichte van derden als gedeeltelijke eigenaar zou gelden.
Er is geen reden om voor goederen die geen zaken zijn en waarvan geen eigendom mogelijk is maar waarvan men wel rechthebbende kan zijn, zoals vorderingen op naam, van een andere voorstelling van zaken uit te gaan. Een houder van een pandrecht op een vordering op naam is derhalve geen rechthebbende van die vordering. Dat hij ten aanzien van de verpande vordering rechten heeft die hij ook jegens derden geldend kan maken, maakt hem geen rechthebbende. Rechthebbende blijft de pandgever. Dat de pandhouder zelfstandige, door hemzelf onafhankelijk van de pandgever uit te oefenen bevoegdheden verkrijgt, verandert daar niets aan. Ook het gegeven dat de pandgever nadrukkelijk met de belangen van de pandhouder rekening dient te houden, doet daar niets aan af.6
De voorstelling dat de bevoegdheden van de rechthebbende tot de vordering door verpanding van de vordering als het ware worden verdeeld over de rechthebbende en de pandhouder7 is nog om twee andere redenen geen juiste voorstelling van zaken. Allereerst is denkbaar dat een bepaalde bevoegdheid met betrekking tot een verpande vordering zowel door de pandgever als door de pandhouder kan worden uitgeoefend; de pandgever omdat het een bevoegdheid betreft die hem als rechthebbende toekomt en die hem door verpanding niet ontnomen wordt en de pandhouder omdat het een bevoegdheid betreft die hem in zijn hoedanigheid van (inningsbevoegde) pandhouder toekomt.8 Zo acht ik, hoewel de Hoge Raad daarover anders heeft geoordeeld,9 verdedigbaar dat zowel de pandgever als de pandhouder zich kunnen verzetten tegen de voorgenomen beëindiging van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de verpande vordering uit hoofde van een ‘403-verklaring’.10 Zou een bevoegdheid van een beperkt gerechtigde door afsplitsing van de eigenaar op de beperkt gerechtigde zijn overgegaan, dan zou de bevoegdheid niet langer aan de eigenaar toekomen.11
De tweede reden waarom de voorstelling dat bevoegdheden van de rechthebbende tot de vordering door verpanding van de vordering als het ware worden afgesplitst aan de pandhouder geen juiste voorstelling van zaken is, is dat er bevoegdheden zijn die, op grond van de wet, toekomen aan een beperkt gerechtigde, maar die vóór de vestiging van een beperkt recht niet toekwamen aan de eigenaar. Zo is de bevoegdheid van een pandhouder om het verpande goed in voorkomend geval executoriaal te verkopen geen bevoegdheid die door de vestiging van het pandrecht van de eigenaar is overgegaan op de pandhouder.12