Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/126:126 De pandhouder heeft het recht om nakoming te vorderen, maar het betaalde behoort hem niet toe
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/126
126 De pandhouder heeft het recht om nakoming te vorderen, maar het betaalde behoort hem niet toe
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD15914:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Lioni 1885, p. 81.
Vgl. art. 3:304 en 3:246 lid 1 BW. Vgl. ook Hamaker 1899, p. 14-30.
Zie art. 3:251 jo. 253 en 246 lid 5 BW.
Zie over de uitoefening door de pandhouder van dergelijke met de inning van de vordering verband houdende rechten hoofdstuk 12.
Vgl. Wiarda 1937, bijvoorbeeld p. 86-94 en 299.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vestiging van een pandrecht op een vordering op naam heeft tot gevolg dat de pandhouder in een goederenrechtelijke rechtsverhouding tot die vordering komt te staan. Dit betekent dat de pandhouder een absoluut, jegens eenieder te handhaven recht op de vordering heeft. Het betekent echter niet, anders dan bij de overdracht van een vordering, dat de vordering op de pandhouder overgaat. De pandhouder wordt geen rechthebbende van de vordering: de vordering als vermogensrecht gaat niet op de pandhouder over. Dit vloeit reeds voort uit het feit dat op één goed meerdere pandrechten kunnen rusten; een goed kan echter geen voorwerp van meerdere eigendomsrechten zijn.1
Een pandhouder wordt door de nakoming jegens hem van de vordering waarop zijn pandrecht rust ook niet de rechthebbende van het door de debiteur aan hem betaalde. Hij krijgt door de vestiging van het pandrecht en mededeling van het pandrecht aan de debiteur het recht op de actio of de rechtsvordering,2 het recht om nakoming van de vordering te vorderen, maar hetgeen aan de pandhouder wordt betaald behoort hem niet toe. Wel mag hij zijn opeisbare vordering uit de betaalde geldsom voldoen zodra zijn vordering op de pandgever opeisbaar is.3
Om te kunnen bepalen welke bevoegdheden (ten opzichte van de crediteur (de pandgever) en de debiteur van de vordering) toekomen aan de pandhouder, is het van belang voor ogen te houden dat een pandrecht op een vordering op naam, hoewel de pandhouder niet de rechthebbende wordt van het betaalde, wel rust op het recht van de pandgever op betaling. Dit recht is het object van het pandrecht.
Voor het antwoord op de vraag welke bevoegdheden de pandhouder heeft, is niet uitsluitend bepalend wat het object van zijn pandrecht is. Daarvoor is medebepalend dat de inningsbevoegde pandhouder het recht heeft om nakoming van de verpande vordering te vorderen. Aan de (inningsbevoegde) pandhouder komen dan ook bevoegdheden toe die niet het object van zijn pandrecht vormen, maar die wel samenhangen met zijn recht om nakoming te vorderen en zijn daarmee corresponderende bevoegdheid om de vordering te innen. Zo heeft de pandhouder die bevoegd is om de vordering te innen bijvoorbeeld het recht om een van de vordering afhankelijk zekerheidsrecht uit te oefenen.4
In tegenstelling tot een pandhouder heeft een cessionaris niet alleen het recht om nakoming van de vordering te vorderen, de ‘actio’. De cessionaris heeft tevens recht op de prestatie, de ‘obligatio’.5 Wordt jegens een cessionaris gepresteerd dan behoort het betaalde hem toe.