Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/10:Samenvatting
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/10
Samenvatting
Documentgegevens:
H. Tweehysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
H. Tweehysen
- JCDI
JCDI:ADS459292:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 1.1.
2Zie paragraaf 1.3.2.
Zie paragraaf 1.3.1.
Zie paragraaf 2.2.
Zie paragraaf 2.3.3.
Zie paragraaf 2.3.4.
Zie paragraaf 2.3.2.
Zie paragraaf 3.2, 3.3.2, 3.3.3.
Zie paragraaf 3.3.4.
Zie paragraaf 4.2.
Zie paragraaf 4.2.2.2, 4.2.3.
Zie paragraaf 4.3.
Zie paragraaf 4.4.1.
Zie paragraaf 4.4.3.
Zie paragraaf 5.2.
Zie paragraaf 5.3.
Zie paragraaf 5.4.
Zie paragraaf 5.5.
Zie paragraaf 6.2.
Zie paragraaf 6.3.
Zie paragraaf 7.2.
Zie paragraaf 7.2.4.
Zie paragraaf 7.3.
Zie paragraaf 8.3.
Zie paragraaf 8.2, 8.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
226. De nalatenschap, de bijzondere gemeenschap en de onderneming zijn voorbeelden van een algemeenheid van goederen. De algemeenheid van goederen is een hoeveelheid goederen die in het economische verkeer als eenheid wordt beschouwd, een eenheid die als zodanig blijft bestaan oo al wisselen de samenstellende onderdelen ervan. Hoewel de wet in sommige gevallen een dergelijke algemeenheid als eenheid behandelt, is de algemeenheid van goederen als zodanig in het Nederlandse goederenrecht geen rechtsobject. In het Franse recht is dit bijvoorbeeld anders. Daar is de algemeenheid van goederen wel als één geheel object van rechten. In de Nederlandse rechtsliteratuur is wel gesuggereerd dat het voordelen zou hebben om met name de onderneming te erkennen als object van goederenrechtelijke rechten. Is dat daadwerkelijk het geval?1
In hoofdstuk1 heb ik deze probleemstelling en de opzet van het onderzoek uitgewerkt. Het uitgangspunt dat slechts afzonderlijke goederen object van goederenrechtelijke rechten kunnen zijn, heb ik het uniciteitsbeginsel genoemd. Een onderscheidende naam voor dit uitgangspunt bestond nog niet.2 Ik heb in dit boek onderzocht of dit beginsel daadwerkelijk bestaat in het Nederlandse goederenrecht en of het wenselijk is aan dit uitgangspunt vast te houden. Hiervoor heb ik rechtsvergelijkend onderzoek gedaan naar het Franse en Duitse recht. Het uniciteitsbeginsel is daarbij ruim gedefinieerd. Daardoor vallen ook groepen goederen die niet gekarakteriseerd kunnen worden als algemeenheid van goederen onder de vraagstelling. Ik definieer het uniciteitsbeginsel namelijk als het principe dat goederenrechtelijke rechten slechts op één object kunnen rusten en niet op meer dan één object tegelijk. Dit principe dient onderscheiden te worden van het bepaaldheidsvereiste.3
227. In hoofdstuk 2 heb ik de elementen rechtsobjecten en goederenrechtelijke rechten uit de definitie van het uniciteitsbeginsel onderzocht. Ook heb ik onderbouwd dat het Nederlandse en Duitse goederenrecht het uniciteitsbeginsel aanhangen, maar het Franse recht juist niet. Na een beschouwing over het onderscheid tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten heb ik mij aangesloten bij het traditionele onderscheid dat daartussen wordt gemaakt en waarbij de eigendomsrechten en de beperkte rechten de goederenrechtelijke rechten zijn. De objecten van het eigendomsrecht zijn de zaken. De objecten van beperkte rechten zijn de goederen, dat wil zeggen zaken en vermogensrechten.4
In het Duitse recht wordt in alle handboeken over het goederenrecht geleerd dat de Spezialitätsgrundsatz (het uniciteitsbeginsel) geldt. Dit principe moet onderscheiden worden van wat genoemd wordt Spezialität der Verfügungen: uniciteit bij beschikken. Laatstgenoemd principe houdt in dat een veelheid van objecten een veelheid van beschikkingen vereist.5 Uit de bestudering van het Franse recht blijkt al gauw dat daar het uniciteitsbeginsel juist niet gehanteerd wordt. Daar kan de feitelijke algemeenheid – kort gezegd een algemeenheid van goederen zonder corresponderend ‘eigen’ passief – object van goederenrechtelijke rechten zijn.6 In het Nederlandse recht is het principe dat goederenrechtelijke rechten altijd slechts één object hebben, niet een onderwerp dat in de rechtsliteratuur veel aandacht heeft gekregen. Wel wordt algemeen aanvaard dat de algemeenheid van goederen geen rechtsobject is. Dit volgt ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van het BW, waarbij de wetgever de algemeenheid van goederen heeft gewogen en te licht heeft bevonden. Daarbij is het bovendien nooit de bedoeling geweest de algemeenheid als rechtsobject te erkennen. Hieruit en uit de opbouw van het systeem van het goederenrecht in het Nederlandse BW, waarbij telkens het begrip goed al dan niet via het begrip zaak centraal staat, concludeer ik dat het uniciteitsbeginsel ook in het Nederlandse recht bestaat.7
228. In het hoofdstuk 3 staat de algemeenheid van goederen als potentieel rechtsobject centraal. Na stil te staan bij het begrip algemeenheidvan goederen en de herkomst daarvan, komt het vruchtgebruik van een algemeenheid van goederen aan de orde. Art. 3:222 BW bevat namelijk een regeling van het vruchtgebruik van een algemeenheid. Het blijkt dat daarbij geen sprake is van één recht op de algemeenheid als zodanig, maar van evenzovele rechten van vruchtgebruik als er zich goederen in de algemeenheid bevinden. De regeling van art. 3:222 BW ziet slechts op de voldoening van de schulden uit de algemeenheid, maar is niet van invloed op de goederenrechtelijke vormgeving van het vruchtgebruik op een algemeenheid. Voor het Duitse recht geldt iets vergelijkbaars, al is de heersende leer dat bij het vruchtgebruik op een onderneming een uitzondering op de Spezialitätsgrundsatz (het uniciteitsbeginsel) bestaat. Naar mijn mening – en die van anderen – doet die uitzondering zich echter niet voor.8
In het Franse recht wordt de feitelijke algemeenheid, zoals gezegd, als object van goederenrechtelijke rechten erkend. In het geval van vruchtgebruik van een effectenportefeuille wordt daar het rechtsgevolg aan verbonden dat de vruchtgebruiker bevoegd is over de effecten te beschikken, voor zover dat nodig is voor een goed beheer van de portefeuille. Gaat het niet om vruchtgebruik van een algemeenheid, maar van afzonderlijke goederen, dan heeft de vruchtgebruiker deze bevoegdheid tot beschikken niet.9 In het Nederlandse recht bestaat een flexibele regeling van het recht van vruchtgebruik en zijn in het BW regels neergelegd die het mogelijk maken voor de vruchtgebruiker om te beschikken over de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen. Aan een constructie zoals die in het Franse recht bestaat, is in het Nederlandse recht op dit punt daarom geen behoefte.
In hoofdstuk 3 wordt ten slotte nog kort aandacht besteed aan de opvordering en het bezit van de nalatenschap als mogelijke uitzondering op het uniciteitsbeginsel, waarbij wordt geconcludeerd dat een uitzondering zich niet voordoet.
229. In hoofdstuk 4 wordt een bijzonder geval van de algemeenheid van goederen onderzocht, namelijk de onderneming. Aanleiding hiervoor is dat het Franse recht een bijzondere regeling van het fonds de commerce (de handelszaak, de onderneming) kent, waardoor het fonds de commerce als één geheel overgedragen en verpand kan worden. Ik bespreek die regeling uitgebreid.10 De belangrijkste constatering is dat de praktische uitwerking van de onderneming als rechtsobject niet veel verschilt van de uitwerking van het Nederlandse en Duitse recht, waar de algemeenheid geen object van goederenrechtelijke rechten is. Dit hangt samen met het feit dat het fonds de commerce vrij eng gedefinieerd is en geen vorderingen en onroerende zaken omvat. Bovendien dienen voor een aantal elementen die wél tot het fonds de commerce behoren alsnog afzonderlijke leveringsen vestigingsvereisten te worden vervuld.11 In het Nederlandse en Duitse recht wordt het bepaaldheidsvereiste ruimhartig ingevuld en bestaan ‘stille’ leverings- en vestigingsvarianten bij niet-registergoederen. Daardoor bieden het Nederlandse en Duitse recht vergelijkbare mogelijkheden als het Franse recht.12
Het erkennen van de onderneming als rechtsobject op de wijze waarop dat in het Franse recht is geschied, heeft vanuit het perspectief van het Nederlandse recht dus geen voordelen. Dat zou wellicht anders zijn indien we de onderneming echt als één goed zouden zien en we deze met één handeling als geheel zouden kunnen overdragen, dus zonder onderscheid te maken naar soort goed. Maar het is de vraag of het wel wenselijk is de afzonderlijke levering per goed los te laten. De leveringsformaliteiten bestaan niet zonder reden. Ter bescherming van de betrokken partijen, met het oog op de positie van derden en/of de rechtszekerheid in het algemeen is een bepaalde vorm voor de levering of publiciteit ervan vereist.13
De gedachte zou nog kunnen postvatten dat het erkennen van de onderneming als rechtsobject, zoals in het Franse recht, het gevolg zou hebben dat dit object mede de goodwill omvat. Voor degene die dit een wenselijk resultaat vindt, zou dat reden kunnen zijn om te bepleiten dat de onderneming als zodanig als rechtsobject erkend zou moeten worden. Dat goodwill vanuit goederenrechtelijk oogpunt een lastig concept is, wordt echter niet opgelost door dan maar het bestaan van één recht op de onderneming als geheel aan te nemen. Dat goodwill moeilijk in te passen is in het goederenrecht, heeft vooral te maken met het type aanspraken die er voor de ‘rechthebbende’ uit voortvloeien; die zijn namelijk vooral van verbintenisrechtelijke aard.14
230. In hoofdstuk 5 wordt de vraag beantwoord of één hypotheekrecht meer dan één object kan hebben. Voor het antwoord op deze vraag is in ieder geval het specialiteitsbeginsel niet doorslaggevend. Het specialiteitsbeginsel dient onderscheiden te worden van het uniciteitsbeginsel. Het specialiteitsbeginsel houdt in dat het object van het hypotheekrecht bij de vestiging afzonderlijk in de akte omschreven dient te worden. Dit vereiste houdt verband met de wens om publiciteit te geven aan hypotheekrechten. De manier waarop deze publiciteit het beste verschaft kan worden, is door de openbare registers raadpleegbaar te maken per object en daarvoor is nodig dat de objecten bijzonder omschreven worden bij de vestiging. Zowel het Franse, Nederlandse als het Duitse recht heeft een ontwikkeling doorgemaakt waarbij aanvankelijk ook generale hypotheken bestonden. Bij generale hypotheken kon met een algemene omschrijving van de te bezwaren goederen worden volstaan. Later werden generale hypotheken door de invoering van het specialiteitsbeginsel afgeschaft.15
In het Nederlandse recht bestaan evenzoveel hypotheekrechten als objecten van het hypotheekrecht.16 In het Duitse recht is dat ook het geval, maar daar zou op het eerste gezicht anders over gedacht kunnen worden, omdat het Duitse recht de zogenoemde Gesamthypothek kent. In werkelijkheid gaat het daarbij slechts om een regeling van Haftung, verhaalsaansprakelijkheid.17 In het Nederlandse recht volgen vergelijkbare regels van Haftung uit het principe van de ondeelbaarheid van pand en hypotheek. Uit deze ongedeelde verhaalsaansprakelijkheid kunnen geen conclusies getrokken worden over het al dan niet bestaan van één (hypotheek) recht op meer dan één object.18
231. Hoofdstuk 6 gaat over splitsing. Eerst ben ik ingegaan op splitsing van het object van een goederenrechtelijk recht. Denk aan de situatie waarbij een gedeelte van een stuk grond wordt overgedragen aan een ander (‘verticale splitsing’), aan het feitelijk in tweeën delen van een roerende zaak of aan het partieel cederen van een vordering. Ontstaat daarbij één recht op meerdere objecten en doet zich dus een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor? Dit is niet een vraagstuk dat geregeld in de goederenrechtelijke literatuur aan de orde komt. Voorts worden verschillende uitkomsten verdedigd. Ik heb betoogd dat bij splitsing van het object van een goederenrechtelijk recht ook dat recht zelf steeds splitst.19
In het tweede deel van het hoofdstuk ga ik in op verticale splitsing van erfpacht. Daarbij doet zich namelijk de bijzonderheid voor dat ingevolge art. 5:91 lid 2 BW de mogelijkheid daarvan in de vestigingsakte met goederenrechtelijke werking onderworpen kan worden aan de toestemming van de bloot eigenaar. Wordt de toestemming niet verkregen, dan leidt dat tot gedeeltelijke onoverdraagbaarheid, in die zin dat alleen het gehele erfpachtrecht kan worden overgedragen. Op deze manier kan de bloot eigenaar versnippering voorkomen. Dit is één van de weinige gevallen waarin het in het Nederlandse goederenrecht uitmaakt of er sprake is van één of van meer rechten. Is immers sprake van (bijvoorbeeld) twee erfpachtrechten, dan kan versnippering alleen voorkomen worden door een beding als bedoeld in art. 5:91 lid 1 BW op te nemen in de akte en als voorwaarde te hanteren dat het erfpachtrecht slechts tezamen met een ander erfpachtrecht overgedragen kan worden. Een dergelijke voorwaarde kan echter niet aan schuldeisers worden tegengeworpen, terwijl dat bij het beding van lid 2 wel het geval zou zijn. Het kan gebeuren dat partijen in de veronderstelling verkeerden dat zij één erfpachtrecht vestigden, maar dat het in werkelijkheid om twee erfpachtrechten gaat, omdat er twee rechtsobjecten bestaan. Bij deze problematiek sta ik uitgebreid stil. Daarbij speelt ook een rol – en komt aan de orde – de zaakseenheid in het platte vlak: wanneer is sprake van één onroerende zaak? Hierbij dient het Duitse recht als inspiratiebron. Ik stel geen strenge eisen aan het aannemen van het bestaan van één onroerende zaak. Daardoor zal in veel gevallen sprake zijn van één erfpachtrecht en heeft een beding als bedoeld in art. 5:91 lid 2 BW de werking die partijen beoogd zullen hebben.20
232. Hoofdstuk 7 behandelt gevallen die samenhangen met zaken. Er is een vorm van ‘verkapte algemeenheid’ te signaleren bij samengestelde zaken; potentieel zelfstandige zaken worden door de verkeersopvatting bestempeld tot één zaak. Hierbij gaat het strikt genomen niet om een uitzondering op het uniciteitsbeginsel, omdat sprake is van één object met daarop één recht.21 In het Duitse recht doet zich iets vergelijkbaars voor bij bepaalde rechten die bestanddeel kunnen zijn van onroerende zaken.22 Zowel in het Nederlandse, Duitse als Franse recht bestaat nog een categorie zelfstandige zaken die onder het oud BW aangeduid werd met hulpzaken en in het nieuwe BW op enkele plaatsen terugkeert als toebehoren. In alle drie de rechtsstelsels doen zich daarbij uitzonderingen op het uniciteitsbeginsel voor. Deze uitzonderingen laten zich goed inpassen in het goederenrechtelijke systeem.23
233. In hoofdstuk 8 komen diverse gevallen aan de orde waarin sprake is van een gemeenschap. Bij de bijzondere gemeenschap doet zich bij “het aandeel in de gehele gemeenschap” uit art. 3:191 BW een uitzondering op het uniciteitsbeginsel niet voor. Algemeen wordt aangenomen dat het daar in feite gaat om een optelsom van de aandelen in de afzonderlijke goederen.24 Bij het Nederlandse appartementsrecht, bij het verzameldepot uit de Wge, en bij de beleggingsinstellingen en de gezamenlijke bewaring in het Duitse recht wordt een uitzondering gemaakt op het uniciteitsbeginsel. Telkens heeft in zekere zin een ‘transformatie’ plaatsgevonden van afzonderlijke goederen in een vorm van medegerechtigdheid tot die goederen gezamenlijk. Door de wet wordt een nieuw soort object geïntroduceerd, waarbij de oude objecten hun betekenis verliezen. De rechtstoestand van de gemeenschapsconstructies is voldoende duidelijk om praktisch en theoretisch mee uit de voeten te kunnen.25
234. In hoofdstuk 9 kom ik tot de conclusie dat het uniciteitsbeginsel een manier van ordenen inhoudt. Het is een keuze voor het op een bepaalde manier inrichten van de wet, die – zo leert de vergelijking met het Franse recht – ook anders had kunnen uitvallen. Gegeven het huidige systeem van het goederenrecht is het niet wenselijk om in het Nederlandse recht de algemeenheid van goederen als rechtsobject in te voeren. Deze rechtsfiguur brengt op zichzelf geen voordelen met zich; niets wordt daarmee mogelijk gemaakt wat nu niet mogelijk is of andersom. In het Nederlandse goederenrecht staat de overdraagbaarheid van afzonderlijke goederen voorop, zien de bevoegdheden uit goederenrechtelijke rechten doorgaans op afzonderlijke objecten en wordt bovendien waarde gehecht aan de verschillende leverings- en vestigingsvereisten. Een systeem waarin een goederenrechtelijk recht in beginsel steeds slechts één object heeft, sluit het beste bij deze uitgangspunten aan.