De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.4.3:IV.19.4.3 Bevindingen
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.4.3
IV.19.4.3 Bevindingen
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380188:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De termijn die in de Duitse intrekkingsregeling wordt gehanteerd, geldt steeds wanneer een begunstigende beschikking wordt ingetrokken. De termijn is dus zowel voor de intrekking van Leistungs-beschikkingen als voor andere begunstigende beschikkingen van belang. Voor intrekking van een belastende beschikking geldt de termijn niet. De termijn geldt los van de grond voor intrekking die zich voordoet. Hoewel de termijn is neergelegd in § 48 lid 4 VwVfG, wordt deze zowel in het tweede als in het derde lid van § 49 VwVfG van overeenkomstige toepassing verklaard.
Men kan zich afvragen of met deze termijn nu werkelijk de rechtszekerheid wordt gediend. Ook wanneer een beschikking vele jaren bestaat, kan er informatie boven tafel komen waaruit blijkt dat aanleiding bestaat deze beschikking in te trekken. Vervolgens heeft een bestuursorgaan dan nog een jaar de tijd om tot intrekking over te gaan. Het is daarom niet gek dat naast de termijn ook het leerstuk van de Verwirkung bestaat. Aan de hand van dit leerstuk kan per geval worden bezien of aanleiding bestaat te concluderen dat van een bevoegdheid tot intrekking geen gebruik meer mag worden gemaakt. Daarbij kan in het kader van de rechtszekerheid een beoordeling plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval, zoals de grond voor intrekking die zich voordoet.
Zowel de Nederlandse jurisprudentie als de wetgeving is zeer beperkt wat betreft vervaltermijnen. Het subsidierecht kent in art. 4:49 lid 3 Awb een vervaltermijn, zij het dat het daar een zeer specifieke beschikking betreft. Het gaat namelijk om de beschikking tot subsidievaststelling. Vaststelling geschiedt aan het einde van het subsidietraject en vormt een tweede toetsingsmoment. Normaliter wordt namelijk eerst een beschikking tot subsidieverlening gegeven, welke aan het eind van de subsidieperiode wordt gevolgd door een vaststelling.1 Daarbij past dat slechts in beperkte mate op een subsidievaststellingsbeschikking kan worden teruggekomen, in die zin dat daaraan een termijn is verbonden. Van de termijn van 12 jaar die geldt in het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht kan men zich afvragen in hoeverre deze de geadresseerde nu daadwerkelijk beschermt.
Al met al lijkt het niet eenvoudig om in meer algemene zin te regelen of, en zo ja, wat voor termijn moet gelden binnen welke een bestuursorgaan op een gegeven beschikking kan terugkomen. Een en ander is onder meer sterk afhankelijk van het soort beschikking (vergelijk hetgeen hiervoor is opgemerkt over de subsidievaststellingsbeschikking) en de grond voor intrekking. In dat licht is de termijn zoals deze in de §§ 48 en 49 VwVfG wordt gehanteerd begrijpelijk. Van het bestuursorgaan wordt voortvarendheid vereist, wanneer informatie naar boven komt waaruit blijkt dat aanleiding bestaat om een bepaalde beschikking in te trekken.2