Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.5.5.2
IX.3.5.5.2 Vorderingen ter zake van huur, rente en dividend
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS354060:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie nr. 882.
Zie nr. 867.
Door slechts een enkeling wordt overigens gewezen op art. 3:9 lid 4 BW, zie Faber 2005, nr. 271, noot 124. De volgende auteurs nemen aan dat mogelijk of waarschijnlijk sprake is van een toekomstige vordering: Maatman 1998, p. 167 e.v.; Kortmann 1989a, p. 59; Van der Grinten, noot onder NJ 1987, 530; Asser/Beekhuis, Mijnssen & De Haan 3-I 1985, nr. 331 en Kleijn, noot onder NJ 1984, 46. Zie ook: HR 28 januari 1976, NJ 1976, 288 en HR 23 februari 1983, NJ 1984, 46, m.nt. WMK, waar de Hoge Raad met betrekking tot nog niet lopende rentetermijnen spreekt over een “toekomstige rente-inkomst”. De rentevordering wordt als een bestaande vordering beschouwd door: Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 236 (met een nuancering voor geldleningen voor onbepaalde tijd); Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 430 (voor wat betreft de niet vervroegd aflosbare geldlening); Rank- Berenschot 1997a, p. 39; Asser/Van Mierlo & van Velten 3-VI* 2010, nrs. 49 en 81 (voor wat betreft een vaste rente over een reeds verstrekte lening); Mijnssen 1992, p. 61 (met twijfel ten aanzien van variabele rente); Mijnssen & Schut 1991, p. 139; Tekstra 1990, p. 743 (twijfelend); Van Mierlo 1988, p. 92; Brahn 1988, p. 168-169 (twijfelend) en Mijnssen 1988, p. 19. Vgl. ook: Hartkamp in zijn conclusie (nr. 7) voor HR 24 juni 1994, NJ 1995, 368, m.nt. HJS (INB/Klützow q.q.).
Anders: NvW, Parl. Gesch. Boek 6, p. 533, waar nog niet-opeisbare rentetermijnen als toekomstige vorderingen worden beschouwd. Deze stellingname komt overeen met de opvatting van de memorie van antwoord bij art. 3:9 lid 4 BW dat burgerlijke vruchten pas bestaande rechten worden bij hun opeisbaar worden. Zie voorts: TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 528, waar ervan uitgegaan lijkt te worden dat de rentevordering ontstaat bij het aanbreken van een nieuwe rentetermijn, ongeacht of de rentetermijn al opeisbaar is.
In deze zin: Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-I* 2010, nr. 81 (maar anders in geval van een rekening-courantkrediet) en Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 236 (met een in mijn ogen onterechte twijfel ten aanzien van een geldlening voor onbepaalde tijd “waarbij de rente – van een bepaald percentage op jaarbasis – per dag of althans periodiek wordt berekend”).
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G (WUH/Emmerig q.q.).
De gedachte zou kunnen zijn dat er wel sprake is van een toekomstige vordering, aangezien er in deze gevallen geen sprake is van “terstond vaststaande” periodieke betalingen als bedoeld in het WUH-arrest. Naar mijn mening gaat deze benadering uit van een verkeerd begrip van de woorden “terstond vaststaande”. De Hoge Raad heeft in het WUH-arrest zijn overweging in het arrest SOS/ABN (NJ 1982, 615), inhoudende dat toekomstige vorderingen moeten worden onderscheiden van bestaande vorderingen onder tijdsbepaling of voorwaarde of tot periodieke betalingen, voor de laatste categorie nader aangescherpt door de woorden “terstond vaststaande” toe te voegen. Daarmee heeft de Hoge Raad willen aangeven dat bijvoorbeeld huurvorderingen, anders dan in de literatuur naar aanleiding van SOS/ABN wel werd aangenomen, niet als bestaande vorderingen tot periodieke betaling kunnen worden aangemerkt, aangezien deze vorderingen volgens de Hoge Raad nog afhankelijk zijn van het werkelijk verschaffen van het huurgenot. Met de woorden “terstond vaststaande” heeft de Hoge Raad mijns inziens enkel willen aangeven dat het moet gaan om vorderingen tot periodieke betaling die niet afhankelijk zijn van het verrichten van de prestatie waarvoor de betalingstermijnen de tegenprestatie vormen. Zoals vermeld, geldt in geval van een vaste geldlening dat de leninggever door het ter beschikking stellen van de leensom volledig aan zijn verplichting heeft voldaan. Het recht op rente is dus niet meer afhankelijk van de nakoming van enige verplichting van de leninggever, ook niet indien het een variabele rente betreft.
Zie ook: nr. 891. Anders: Kortmann 1989a, p. 59 en Maatman 1998, p. 169.
Zie nr. 891. Reeds opeisbare rentevorderingen blijven bestaan. Bovendien geldt dat zolang de hoofdsom niet is terugbetaald er rentetermijnen blijven lopen.
Evenmin als de vordering tot betaling van de koopprijs afhankelijk is van de mogelijkheid dat de koopovereenkomst door de koper op grond van een tekortkoming of een hem contractueel verleend ontbindingsrecht kan worden ontbonden, in die zin dat de vordering nog een toekomstige is zolang zij niet opeisbaar is en nog de mogelijkheid van ontbinding bestaat.
Zie ook: Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 81 waar wordt vermeld dat de rentevordering toekomstig is voor zover zij betrekking heeft op gelden die nog ter beschikking moeten worden gesteld. De rentevordering zou dan overeenkomstig de regel van het WUH-arrest afhankelijk zijn van het verrichten van de tegenprestatie.
De opvatting dat er reeds bij het aangaan van de kredietfaciliteit een vordering tot betaling van rente over op te nemen kredieten ontstaat, acht ik niettemin ook verdedigbaar. Betoogd kan worden dat de ontstaansbron van de rentevordering niet is gelegen in de overeenkomst van verbruikleen, maar in de overeenkomst tot verbruikleen, i.e. de overeenkomst waarin de kredietfaciliteit is overeengekomen. In deze overeenkomst is de verplichting tot betaling van rente immers neergelegd. Bij het sluiten van de overeenkomst tot verbruikleen ontstaat er een vordering tot betaling van rente onder de opschortende voorwaarde dat er een krediet wordt opgenomen. De omvang van de rentevordering wordt periodiek berekend over het totaalbedrag dat aan krediet uitstaat. Deze benadering staat wel op gespannen voet met het feit dat de vordering van de geldnemer tot het verstrekken van (een nieuwe tranche van) het krediet volgens de Hoge Raad eerst ontstaat door het ‘afroepen’ van het krediet (zie HR 29 oktober 2004, NJ 2006, 203, m.nt. HJS). Ook de vordering van de geldgever tot terugbetaling van het krediet ontstaat eerst door en met de verlening van het krediet. Het lijkt meer in overeenstemming daarmee om aan te nemen dat de rentevordering pas ontstaat op het moment dat het krediet is opgenomen.
Indien er op enig moment geen saldo is, volgt uit de inhoud van de bestaande renteverbintenis dat er gedurende de betreffende periode geen rente wordt vergoed. Indien het deposito of de spaar- of betaalrekening wordt opgeheven vervalt de renteverbintenis.
Noch daargelaten welke betekenis men voor de onderhavige vraag moet hechten aan een bepaling die dateert uit 1893.
Zie Van der Feltz II 1897, p. 126.
Vgl. Boekraad 1997, p. 14: “Het formele aspect van het fixatiebeginsel houdt in, dat in het faillissement slechts diegenen kunnen opkomen, die op het moment der faillietverklaring schuldeiser zijn, en wel voor het bedrag dat zij op dat moment te vorderen hebben”. Boekraad verwijst daarbij naar HR 5 januari 1923, NJ 1923, p. 359 (Petkovic/Modderman q.q.) waarin de Hoge Raad met instemming de volgende overweging van het Hof citeerde: “Het faillissement is een algemeen beslag op het geheele vermogen van den gefailleerde ter verdeeling onder de bij den aanvang van het faillissement bestaande schuldeischers voor hetgeen zij op dien dag te vorderen hebben (…)”.
Maatman 1998, p. 170, komt met een enigszins andere redenering, die mij evenmin kan overtuigen. Hij wijst erop dat de Hoge Raad in het arrest SOS/ABN toekomstige vorderingen onderscheidt van bestaande vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling en van bestaande vorderingen tot periodieke betalingen. Bovendien merkt hij op dat de Faillissementswet rentevorderingen niet behandelt als vorderingen onder tijdsbepaling of tot periodieke betaling, voor welke vorderingen een afzonderlijke verificatiebepaling bestaat (zie art. 131 Fw). Hieruit leidt hij af dat de wetgever de rentevordering mogelijk als een toekomstige vordering beschouwt. Anders dan Maatman kennelijk meent, kan uit het arrest SOS/ABN echter niet worden afgeleid dat volgens de Hoge Raad alle andere vorderingen dan vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling of tot periodieke betaling, als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt. De Hoge Raad noemt de drie categorieën van bestaande vorderingen bij wijze van voorbeeld. Bovendien is het goed mogelijk dat rentevorderingen bestaande vorderingen zijn tot periodieke betaling, waaraan de wetgever evenwel een afzonderlijke verificatiebepaling heeft willen wijden (art. 128 Fw). Daarbij komt nog dat ten tijde van de totstandkoming van de faillissementswet de Hoge Raad het bestaan van een vordering pas aannam als de werkelijke verschuldigdheid daarvan vaststond (zie nr. 861). Deze opvatting is echter verlaten, zodat de bepaling van art. 128 Fw niet meer in het licht van de oude opvatting kan worden bezien.
De datum van betaalbaarstelling van het dividend moet worden beschouwd als een tijdsbepaling waarvan de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk is.
Anders: Rechtspersonen Boek 2 BW (Huizink), Art. 105, aant. 5, die opmerkt dat het recht op dividend – ingeval een statutaire winstverdelingsregeling ontbreekt – ontstaat nadat de jaarrekening is vastgesteld. Indien de statuten een regeling voor de winstverdeling bevatten, zou het recht ontstaan als de rechtshandelingen die door deze regeling worden voorgeschreven, zijn verricht.
Zie Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 449 onder verwijzing naar Hof Amsterdam 4 juni 1954, te kennen uit HR 18 maart 1956, NJ 1956, 322.
Het wetsvoorstel Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (31 058) bevat een wijziging van de regeling van art. 2:216 BW. In de nieuwe regeling wordt aangesloten bij de praktijk waarin de statuten van BV’s vaak bepalen dat de winst ter beschikking staat van de algemene vergadering van aandeelhouders. Volgens een nieuw art. 2:216 lid 1 is de ava bevoegd tot bestemming van de winst die door de vaststelling van de jaarrekening is bepaald en tot vaststelling van uitkeringen. Een besluit tot uitkering heeft echter geen gevolg zolang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend, welke goedkeuring het bestuur enkel mag weigeren, indien het voorziet dat de vennootschap na de uitkering haar opeisbare schulden niet zal kunnen betalen. De statuten kunnen de bevoegdheid van de ava evenwel beperken of toekennen aan een ander orgaan. Zie MvT, TK 2006-2007, 31 058, nr. 3, p. 68 e.v. In deze nieuwe regeling geldt derhalve dat het besluit van de ava tot winstuitkering en de goedkeuring door het bestuur ontstaansvereisten voor de dividendvordering zijn. Dit is slechts anders indien de statuten – overeenkomstig het huidige wettelijke uitgangspunt – bepalen dat de winst rechtstreeks aan de aandeelhouders ten goede komt.
896. De vordering tot betaling van huur en rente. Hiervoor is gebleken dat het goed verdedigbaar is dat het moment van ontstaan van het recht op de burgerlijke vrucht niet wordt bepaald door art. 3:9 lid 4 BW, maar aan de hand van de hiervoor besproken criteria moet worden beoordeeld. Dit betekent dat het recht op de burgerlijke vrucht in beginsel ontstaat, zodra aan de in § 3.5.1 besproken essentialia van een verbintenis is voldaan.1 Indien de burgerlijke vrucht zijn ontstaansbron vindt in een obligatoire overeenkomst, brengt bovendien het beginsel van de “verbindende kracht” van de overeenkomst met zich dat er ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst een vordering ontstaat. Dit is slechts anders, indien uit de bedoeling van partijen, de aard van de rechtsverhouding of mogelijk de wet anders volgt.
Zoals vermeld, geldt – althans volgens de Hoge Raad – met betrekking tot huurvorderingen dat het ontstaan van de vorderingen, in verband met de aard van de huurovereenkomst, afhankelijk is van de werkelijke verschaffing door de verhuurder van het huurgenot.2 Voor pachtvorderingen en wellicht ook voor vorderingen tot betaling van een erfpachtscanon, dient mogelijk hetzelfde te worden aangenomen.
De vraag of het recht op rente een bestaande of een toekomstige vordering is, wordt daarentegen in de literatuur niet eenduidig beantwoord.3 Naar mijn mening dient de rentevordering als een bestaande vordering tot periodieke betaling te worden aangemerkt.4 Dit volgt reeds uit het hiervoor genoemde beginsel van de “verbindende kracht” van de overeenkomst. In de overeenkomst tot verbruikleen neemt de geldnemer de verbintenis op zich om periodiek rente te betalen. Deze verbintenis ontstaat op het moment van het tot stand komen van de overeenkomst van geldlening. De schuldenaar kan zich niet eenzijdig aan deze verbintenis ontrekken; hij is gebonden. Tot de inhoud van de verbintenis behoort evenwel dat er alleen rente berekend wordt over de nog verschuldigde hoofdsom. Dit betekent dat als de lening volledig is afgelost de verbintenis tot het betalen van rente, behoudens de reeds vervallen maar nog niet betaalde termijnen, daarmee een einde neemt.
In geval van een vaste geldlening die door de geldnemer volledig is opgenomen en waarbij geen heropnames mogelijk zijn, is het recht op rente, anders dan bij huurvorderingen, niet afhankelijk van een nog door de schuldeiser (de geldgever) te verrichten tegenprestatie. Indien de geldgever de uit te lenen geldsom aan de geldnemer ter beschikking heeft gesteld, heeft de geldgever de tegenprestatie voor het recht op rente in zijn geheel verricht.5 Op de geldgever rust niet een voortdurende verplichting om de geldnemer het “genot” te verschaffen van de uitgeleende geldsom. Evenmin volgt anderszins uit de aard van de overeenkomst van verbruikleen dat het recht op rente pas ontstaat op het moment van opeisbaar worden. Er is sprake van een, in de woorden van de Hoge Raad, bestaande vordering tot “terstond vaststaande periodieke betalingen”.6 Ook het feit dat de leningnemer een variabele rente verschuldigd is of dat de rente na een rentevastperiode opnieuw wordt vastgesteld, brengt niet met zich dat de rentevordering een toekomstige is voor zover zij betrekking heeft op een nieuw rentepercentage. Ook hier geldt dat de leningnemer zonder meer gehouden is om rente te betalen. Alleen de hoogte van het rentepercentage kan in de toekomst wijzigen.7
Het feit dat de overeenkomst van geldlening voortijdig kan eindigen, bijvoorbeeld door opzegging, vervroegde opeising of vervroegde aflossing, brengt evenmin met zich dat de rentevordering toekomstig is, omdat zij afhankelijk zou zijn van het voortduren van de geldlening in de toekomst (een toekomstige onzekere omstandigheid).8 De overeenkomst van geldlening is een duurovereenkomst waaruit voor de leningnemer een duurverbintenis voortvloeit om periodiek rente te betalen. Met het gegeven dat de leningnemer een geldsom is geleend, staat de periodieke verschuldigdheid van rente vast. Deze duurverbintenis vervalt door het eindigen van de overeenkomst van geldlening voor zover het toekomstige rentetermijnen betreft.9 De mogelijkheid dat de overeenkomst (voortijdig) eindigt, is niet een toekomstige onzekere omstandigheid waarvan de (opeisbaarheid van de) rentevordering zelf afhankelijk is.10 Zij is ook niet te beschouwen als een opschortende of ontbindende voorwaarde waaraan de overeenkomst of de daaruit voortvloeiende verbintenissen zijn onderworpen.
In geval van een kredietfaciliteit die inhoudt dat de geldnemer tot een bepaald maximum krediet kan opnemen en afgeloste bedragen eventueel weer opnieuw kan opnemen (denk aan een rekening-courantkrediet), moet mogelijk op grond van het reële karakter van de overeenkomst van verbruikleen tot een ander oordeel worden gekomen.11 De vordering tot terugbetaling van de uitgeleende geldsom en vermoedelijk ook de vordering tot betaling van rente vinden hun ontstaansbron in de overeenkomst van verbruikleen. Deze overeenkomst ontstaat in beginsel pas op het moment dat de te lenen geldsom aan de geldnemer ter beschikking wordt gesteld. Zoals hiervoor betoogd, zijn vorderingen uit nog tot stand te komen overeenkomsten per definitie toekomstige vorderingen. De rente over nog op te nemen bedragen betreft een toekomstige vordering.12
Het recht op rente ter zake van het positieve saldo van deposito’s, spaar- en betaalrekeningen dient naar mijn mening daarentegen te worden beschouwd als een bestaande vordering tot periodieke betaling. Het feit dat het saldo onder voorwaarden of vrij opneembaar is, doet daaraan niet af. Tot de inhoud van de renteverbintenis behoort evenwel dat er slechts rente vergoed wordt over het saldo.13
Tot slot zij opgemerkt dat evenmin uit art. 128 Fw kan worden afgeleid dat de rentevordering voor haar opeisbaarheid een toekomstige vordering is.14 Art. 128 Fw bepaalt dat rentevorderingen niet voor verificatie in aanmerking komen voor zover zij betrekking hebben op na de faillietverklaring lopende termijnen, tenzij gesecureerd door een pand- of hypotheekrecht, in welk geval zij pro memorie kunnen worden geverifieerd. Volgens de toelichting zou aan de verificatiebepalingen van de artikelen 128 tot en met 131 Fw het beginsel ten grondslag liggen dat schuldeisers in het faillissement concurreren voor het bedrag dat zij op het ogenblijk van de faillietverklaring te vorderen hebben.15 Hieruit kan niet worden afgeleid dat rentevorderingen wat betreft de nog te vervallen termijnen blijkens art. 128 Fw toekomstige vorderingen zijn, omdat zij anders namelijk wel voor verificatie vatbaar zouden zijn geweest. Het genoemde fixatiebeginsel brengt immers ook voor ten tijde van de faillietverklaring bestaande vorderingen met zich, dat verificatie in beginsel slechts mogelijk is voor het bedrag dat op dat moment gevorderd kan worden.16 Ook indien rentevorderingen bestaande vorderingen zijn, kan art. 128 Fw derhalve worden beschouwd als een logische uitwerking van het fixatiebeginsel; de schuldeiser van een rentevordering kan alleen opkomen in het faillissement voor het bedrag aan rente dat ten tijde van de faillietverklaring verschuldigd is en niet voor lopende termijnen die hij immers nog niet kan vorderen.17
897. De vordering tot uitkering van dividend. Met betrekking tot vorderingen tot uitkering van dividend geldt het volgende. Onderscheiden moet worden in de vaststelling van de winst en de bestemming van de winst van de vennootschap. Wat betreft het eerste geldt dat met de vaststelling c.q. goedkeuring van de jaarrekening de gemaakte winst of het gelden verlies vaststaat. Wat betreft de winstbestemming bepaalt de wet, dat de winst van de vennootschap de aandeelhouders ten goede komt, voor zover bij de statuten niet anders is bepaald (art. 2:105 lid 1, 216 lid 1 BW). In de praktijk bepalen de statuten meestal dat de winst “ter beschikking staat” van de algemene vergadering van aandeelhouders (ava). In dit geval dient te worden aangenomen dat de vordering ter zake van dividend ontstaat door het besluit tot dividenduitkering van de ava.18
Indien de statuten geen van art. 2:105 lid 1 (216 lid 1) BW afwijkende regeling bevatten, acht ik het verdedigbaar dat de vordering ter zake van dividend al ontstaat op het moment van de uitgifte van het aandeel.19 Op grond van de wet staat immers vast dat de winst van de vennootschap onder de aandeelhouders moet worden verdeeld, voor zover de wet dat toelaat (zie o.a. art. 2:105 lid 2, 216 lid 2 BW). De vennootschap is daaraan reeds ten tijde van de uitgifte van de aandelen gebonden. De aandeelhouders komt een rechtstreeks op de wet gebaseerd recht op uitkering van de winst toe. Een besluit tot dividenduitkering is niet vereist.20 Dat het dividend pas opvorderbaar is nadat de jaarrekening is vastgesteld of goedgekeurd, waaruit blijkt dat de uitkering geoorloofd is, doet aan het voorgaande niet af. De vaststelling van de omvang van de winst is enkel van belang voor de omvang van de dividendvordering, maar niet voor het ontstaan van de vordering. Het recht op dividend betreft een bestaande vordering die afhankelijk is van onder meer de opschortende voorwaarde dat er een voor uitkering vatbare winst is.21