Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/5.3.1
5.3.1 Het openbare aanbod: contradictio in terminis?
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS381629:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
J.O. Honnold, Uniform Law for International Sales under the 1980 United Nations Convention, Den Haag: Kluwer Law International 1999, p. 147.
Schwenzer/Schlechtriem 2010, Art. 14, Comment 30; Secretariat Commentary, Guide to CISG Article 14, nr. 5; P. Lansing en N.R. Hauserman, ‘A comparison of the UCC to Uncitral’s Convention on Contracts for the International Sale of Goods’, 6 N.C.J. Int’l L. & Com. Reg. 69 (1980). Art. 14 lid 2 WKV is opgenomen ter bescherming van de consument, zie: Eörsi in Bianca-Bonell Commentary on the InternationalSales Law, Giuffrè: Milaan 1987, p. 141.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 1162-1163 (MvA I Inv.); Polderman 1913, p. 20 e.v.; Hijma e.a. 2013, nr. 58; Groene Serie Verbintenissenrecht, Art. 6:217, aant. 152, Y.G. Blei-Weissmann.
HR 10 april 1981, NJ 1981/532, m.nt. Brunner.
Hartkamp & Sieburgh schrijven dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of sprake is van een openbaar aanbod of van een uitnodiging om in onderhandeling te treden, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/170.
Beale e.a. 2010, p. 252-261. Zie voor Duitsland Schmidt 2013, p. 175; Palandt/Bassenge, §145 BGB, nr. 2; Boecken 2007, nr. 264. Er bestaan uitzonderingen op dit uitgangspunt, zo wordt een gokmachine gezien als een aanbod aan het publiek dat aanvaard kan worden door geld in te werpen, Flume 1992, p. 636. Zie voor Engeland Partridge v. Crittenden [1968] 2 All ER 421; McKendrick II 2010, p. 56; G.H. Treitel, ‘The Agreement’, in: Chitty on Contracts 2008, §2-014 e.v. Uitleg van de wilsuiting kan leiden tot het oordeel dat het wel een bindend aanbod betreft, zie Furmston 2008, p. 39; Carlill v. Carbolic Smoke Ball [1882] 2 QB 484 (waar de totstandkoming van een unilateral contract werd aangenomen); Zie voor een voorbeeld uit de Verenigde Staten Morris Lefkowitz v. Great Minneapolis Surplus StoreInc., 251 Minn. 188, 86 N.W. 2 d. 689.
Cass civ (1) 20 octobre 1964, DS 1965, 62.
Beale e.a. 2010, p. 261.
J.E. Jansen, ‘Over de totstandkoming van de koopovereenkomst in een zelfbedieningswinkel’, AAe 2015-1, p. 39.
227. Het Weens Koopverdrag bevat een weerlegbaar vermoeden dat een wilsuiting pas een aanbod is als het tot één of meer bepaalde personen gericht is. Volgens art. 14 lid 2 Weens Koopverdrag is een niet tot één of meer specifiek aangeduide personen gerichte wilsverklaring slechts een uitnodiging om in onderhandeling te treden, tenzij uit de wilsverklaring anders blijkt. De reden hiervoor is volgens Honnold dat het kwalificeren van een wilsuiting jegens een grote groep als een bindend aanbod kan leiden tot praktische bezwaren, bijvoorbeeld als door een scherpe stijging van grondstofprijzen de productiekosten omhoogschieten en de aanbieder verplicht is toch voor de lage prijs te blijven leveren die in het aanbod vermeld stond.1 Een advertentie vormt bijvoorbeeld op zichzelf geen aanbod. Pas als de aanbieder erbij vermeldt “Zolang de voorraad strekt”, een tijdslimiet stelt voor reacties of bijvoorbeeld als een webshop laat zien hoeveel stuks er nog op voorraad zijn, geeft de aanbieder aan zich te willen binden en doet hij een aanbod.2
Voor Nederlands recht is het uitgangspunt van de wetgever en in de literatuur dat een tot het publiek gerichte wilsverklaring een bindend openbaar aanbod is.3 Hierbij wordt aangetekend dat dit niet betekent dat met eenieder die dat wil, een overeenkomst tot stand komt. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een beperking geldt.4 De Hoge Raad lijkt in Hofland/Hennis echter op een andere lijn te zitten.5 De Hoge Raad overweegt dat een advertentie waarin een individueel bepaalde zaak voor een bepaalde prijs te koop wordt aangeboden in beginsel opgevat moet worden als een uitnodiging om in onderhandeling te treden. Uit de bewoordingen van het arrest volgt niet dat doorslaggevend was dat de onderhavige casus om de koop van een huis ging, en zo wordt de rechtsregel ook niet opgevat door annotator Brunner. In navolging van Hofland/Hennis meen ik dat een tot het publiek gerichte wilsverklaring ten aanzien van een individueel bepaalde zaak in beginsel geen aanbod, maar slechts een uitnodiging tot het doen van een aanbod is.6 Zeker nu ik betoog, zoals hierna zal blijken, dat het doen van een aanbod bepaalde rechten en verbintenissen schept, moet niet te snel worden aangenomen dat sprake is van een bindingswil en dus van een aanbod. De uitgangspositie moet zijn dat degene die een tot het publiek gerichte wilsuiting doet ten aanzien van een individueel bepaalde zaak zich het recht voorbehoudt om af te zien van het sluiten van een overeenkomst nadat iemand uit het publiek aangeeft te willen contracteren, in het bijzonder als het gaat om een aanbod intuitus personae. Bijvoorbeeld bij het aanbieden van een dienst is zeer voorstelbaar dat de aanbieder zich niet met slechts het aanbod wil binden tot het moeten verrichten van de dienst voor eenieder die wenst te contracteren.
Ook naar Duits en Engels recht geldt in beginsel dat een tot het publiek gerichte wilsverklaring niet beschouwd wordt als een aanbod.7
228. Een tot het publiek gerichte verklaring kan de aanbieder wel binden, als de intentie van de aanbieder daartoe uit de verklaring blijkt. Een openbaar aanbod is dus geen contradictio in terminis, maar is wat mij betreft de uitzondering op de regel.
Het gevolg van deze opvatting is dat in veel gevallen van publieke wilsuitingen niet kan worden gesproken van een aanbod, waardoor pas een overeenkomst ontstaat wanneer daarna aanbod en aanvaarding gecommuniceerd zijn. Dat kan ertoe leiden dat pas op een later moment een rechtsverhouding tussen partijen ontstaat. Dat dit praktische implicaties kan hebben, blijkt uit Franse jurisprudentie over in een supermarkt door een klant opgelopen schade door een ontploffende limonadefles.8 Door de Franse visie dat het op de schappen plaatsen van de fles een aanbod is dat aanvaard wordt door het in het mandje leggen, was een overeenkomst ontstaan tussen de supermarkt en de klant en kon die laatste een contractuele claim tot schadevergoeding aanhangig maken. Aan dit arrest lagen mogelijk mede rechtspolitieke argumenten ten grondslag, nu door deze uitkomst de supermarkt aansprakelijk was tenzij zij een cause étrangère kon aantonen.9
Voor het Nederlandse recht heeft Jansen, mijns inziens terecht, verdedigd dat de supermarkt een openbaar aanbod doet door de koopwaar in de winkel uit te stallen. De koopovereenkomst komt tot stand wanneer de klant door te betalen het aanbod van de supermarkt aanvaardt.10 Door het in het mandje leggen van de boodschappen komt een bewaarnemingsovereenkomst tot stand, op grond waarvan de klant gehouden is de zorg van een goed bewaarnemer in acht te nemen. Verdedigbaar is ook dat de supermarkt pas een aanbod doet op het moment dat de caissière de boodschappen heeft gescand en de totaalprijs aan de klant meedeelt. Dat is het moment waarop de supermarkt zijn wil kenbaar maakt om de door de klant uitgezochte waren te verkopen voor de weergegeven prijs. De klant beslist vervolgens of hij de boodschappen voor die prijs wil meenemen. Als blijkt dat hij te weinig geld heeft, kan hij een deel van de boodschappen teruggeven (het aanbod verwerpen), waarop de cassiere een nieuwe totaalprijs zal aanslaan (een nieuw aanbod doet). Zoals Jansen opmerkt is het nadeel van de opvatting dat de supermarkt door de koopwaar uit te stallen slechts een uitnodiging doet, dat het de supermarkt zou vrijstaan te weigeren de overeenkomst aan te gaan met een klant. Dit mag onder bepaalde omstandigheden wel, bijvoorbeeld als een minderjarige een fles drank wil kopen, maar dit kan worden opgelost door een impliciete clausulering in het openbare aanbod te lezen.