Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/50:50 Herziening, maar nauwelijks vooruitgang
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/50
50 Herziening, maar nauwelijks vooruitgang
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD13601:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gememoreerd door Lioni 1885, p. 189-190.
Zie Lioni 1885, p. 213-217.
Stb. 1874, 95.
Vgl. Lioni 1885, p. 216-218.
Desalniettemin noemt P. Scholten in zijn Algemeen Deel van de Asser-serie de Pandwet van 1874 de eerste belangrijke wijziging van het BW van 1838; zie Asser/Scholten 1974, p. 178.
Een inschuld, thans een vordering op naam genoemd, werd destijds beschouwd als een onlichamelijke roerende zaak.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanwege de problemen met de regeling van het pandrecht in het wetboek van 1838 pleitte men voor wetswijziging.1 Bij de parlementaire behandeling van de voorstellen die uiteindelijk leidden tot de regeling van 1874 realiseerde men zich dat er duidelijkheid moest komen over de bevoegdheden van de houder van een pandrecht op een vordering op naam, in het bijzonder de bevoegdheid om de vordering te innen.2 Overeenstemming over die bevoegdheden kon tussen de regering en het parlement echter niet worden bereikt, zodat ook in de regeling van 18743 niet werd bepaald wat de rechtspositie van de pandhouder was.4
Ook het probleem van de mededeling als constitutief vereiste werd niet opgelost. Wat wel werd opgelost, was het probleem van de ‘zekere dagtekening’. De regeling bleef zeer summier5:
“Art. 1199. Pandregt op onligchamelijke roerende zaken,6 met uitzondering van papier aan order of aan toonder, wordt gevestigd door kennisgeving van de verpanding aan hem, tegen wien het in pand gegeven regt moet worden uitgeoefend. Door dezen kan van die kennisgeving en van de toestemming des pandgevers een schriftelijk bewijs worden gevorderd.”