Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/9.3.1
9.3.1 Historische achtergrond
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS374396:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Van Oven 1958, p. 406; J.C. van Oven, ‘Het Ontwerp voor het zesde boek van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Kwijtschelding – afstand’, WPNR 4731 (1962), p. 325; Tjittes 1992, nr. 1.
HR 23 januari 1942, NJ 1942/298; Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 404 (TM); Tjittes 1992, nr. 3.
HR 12 november 1937, NJ 1938/377.
HR 23 januari 1942, NJ 1942/298. Zie ook HR 2 juni 1950, NJ 1951/19; HR 22 november 1957, NJ 1958/2 m.nt. Rutten.
Zie Van Dunné 1971, noot 131 voor een weergave van de discussie.
HR 12 november 1937,NJ 1937/378, m.nt. PS. Deze visie kreeg navolging van Langemeijer, zie diens conclusie bij HR 2 juni 1950, NJ 1951/19 (Groen/De Boer).
Hoewel slechts voor twee beperkte rechten de mogelijkheid van tenietgaan door afstand wettelijk geregeld was, werd in de literatuur aangenomen dat afstand bij alle beperkte rechten mogelijk was, zie Aaftink 1974, p. 35; Asser/Beekhuis II, p. 6.
HR 23 januari 1942, NJ 1942/298; Aaftink 1974, p. 39; C.D. van Vliet, Afstand van hetrecht van hypotheek, Amsterdam: De Bussy 1931, p. 5; Tjittes 1992, nr. 33. Zie over de totstandkoming van de huidige regeling hierna nr. 384.
In de literatuur werd ten tijde van het Oud BW gediscussieerd over de vraag of ook van het recht van erfpacht eenzijdig afstand gedaan moest kunnen worden. Tegenstanders voerden aan dat de erfpachter zich dan eenzijdig van de verplichting tot het betalen van de erfpachtcanon kunnen bevrijden. Zie Aaftink 1974, p. 40. Op verschillende plaatsen in de wet is een verplichting voor de hoofdgerechtigde opgenomen om aan de afstand mee te werken, in de gevallen waarin afstand wordt gedaan vanwege de aan het recht verbonden lasten en verplichtingen, zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/16 en hierna in nr. 383.
Kwijtschelding door eenzijdige rechtshandeling is wel mogelijk als zij geschiedt in een legaat (dit geldt overigens ook voor omzetting van een natuurlijke in een afdwingbare verbintenis ex art. 6:5 BW, vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/86). Op het eerste gezicht opmerkelijk is dat uitstel van betaling, een vorm van tijdelijke afstand, wel door een eenzijdige rechtshandeling tot stand kan komen, zie Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 106 (MvA II); Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:9 BW, aant. 11, J.W.A. Biemans. Uitstel van betaling (‘terme de grâce’) is echter te beschouwen als een toezegging tot het tijdelijk niet-uitoefenen van de bevoegdheid tot het eisen van nakoming – uitstel staat niet in de weg aan opeisbaarheid of verrekening (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/249). Zij is daarmee eerder vergelijkbaar met afstand van een wilsrecht dan met kwijtschelding.
380. Het onderscheid tussen eenzijdige en meerzijdige afstand kan er gedeeltelijk op worden teruggevoerd dat afstand van recht oorspronkelijk werd gezien als een andere figuur dan kwijtschelding, de afstand om niet van een vorderingsrecht. Onder het oude BW was kwijtschelding van oudsher bekend als een tweezijdige rechtshandeling, een bevrijdende overeenkomst die zijn oorsprong vond in de Romeinsrechtelijke acceptilatio en pactum de non petendi.1 Met de ontwikkeling van de nieuwe figuur afstand van recht in de doctrine en de jurisprudentie, rees de vraag naar de verhouding tot kwijtschelding. Afstand van recht was, zo werd algemeen aangenomen, verwant aan kwijtschelding, maar kon geschieden door een eenzijdige rechtshandeling.2 Er ontspon zich een discussie in de literatuur over de vraag of ook van vorderingsrechten afstand gedaan kon worden door een eenzijdige verklaring van de schuldeiser waaruit de wil bleek de schuldenaar te bevrijden van zijn verplichting. Na de kwestie een keer ‘daargelaten’ te hebben3 erkende de Hoge Raad in 1942 de mogelijkheid van kwijtschelding door een eenzijdige rechtshandeling.4 In de doctrine heerste verdeeldheid.5 Scholten stelde de constructie voor dat kwijtschelding eenzijdig kan geschieden, maar dat de schuldenaar het recht heeft haar te weigeren als hij daar een gerechtvaardigd belang bij heeft.6
De wetgever koos er uiteindelijk voor de twee figuren onder één noemer te brengen. Kwijtschelding werd gekwalificeerd als een vorm van afstand van recht, maar behield zijn karakter als meerzijdige rechtshandeling. In art. 3:81 lid 2 sub c BW werd de mogelijkheid van afstand van alle beperkte rechten opgenomen, waar onder het oude BW slechts afstand van vruchtgebruik en van hypotheek wettelijk geregeld waren.7 Kon van die twee beperkte rechten naar oud recht eenzijdig afstand gedaan worden,8 in de nieuwe situatie geldt meerzijdigheid als vereiste.9 Voor andere rechten en bevoegdheden bleef in de wet echter de mogelijkheid van eenzijdige afstand gehandhaafd, zoals voor afstand van de eigendom van een roerende zaak (art. 5:18 BW). In de wet en parlementaire geschiedenis wordt niet bij alle voorbeelden van afstand aangegeven of afstand eenzijdig kan of tweezijdig moet. Onduidelijk is ook, of het uitgangspunt eenzijdigheid danwel meerzijdigheid is, als de wettekst zwijgt.
381. De wetgever geeft als onderbouwing voor zijn keuze voor het eisen van een overeenkomst voor kwijtschelding dat iemand een ander geen geschenken moet kunnen opdringen die hij van de gever niet wenst te ontvangen. Kwijtschelding wordt beschouwd als een gift en kan, net als een schenking, alleen tweezijdig tot stand komen.10 Om tegemoet te komen aan de eisen van het handelsverkeer en aan het feit dat in de praktijk zelden bezwaar bestaat tegen kwijtschelding, is voor afstand van een vorderingsrecht om niet (kwijtschelding) lid 2 opgenomen in art. 6:160 BW opgenomen. Op grond daarvan geldt een aanbod tot afstand van een vordering om niet als aanvaard, als de schuldenaar van het aanbod kennis heeft genomen en het niet onverwijld heeft afgewezen. Principieel is gekozen voor kwijtschelding door overeenkomst, maar materieel is er een dun onderscheid met afstand door eenzijdige wilsverklaring.11