Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.4.15
2.4.15 Aanzegging in de zin van art. 3:57 BW
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS374378:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder wordt verstaan: (a) bij een overeenkomst: de contractspartijen; (b) bij een gerichte eenzijdige rechtshandeling: de geadresseerden; (c) bij een ongerichte eenzijdige rechtshandeling: de onmiddellijk belanghebbenden zij de rechtshandeling; (d) zij die op andere wijze, bijv. als rechtsopvolger bij het al dan niet tot stand komen van de rechtshandeling een onmiddellijk belang hebben, zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 247 (MvA II).
W. Snijders 1999 I, p. 561.
Tekst & Commentaar art. 3:57 BW, aant. 3.b, Jac. Hijma; Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:57 BW, aant. 3.2, J.A.J. Peter.
78. Art. 3:57 BW geeft een regeling ten gunste van direct belanghebbenden voor het geval toestemming van een overheidsorgaan of een andere derde is vereist voor een geldige rechtshandeling. De onmiddellijk belanghebbende1 kan in dat geval bij de partijen van de rechtshandeling een aanzegging doen dat, indien niet binnen een redelijke, bij de aanzegging vermelde termijn de toestemming wordt verkregen, de rechtshandeling jegens hem zonder gevolg zal blijven.
De kwalificatie van de aanzegging wordt in de parlementaire geschiedenis in het midden gelaten. W. Snijders noemt de aanzegging als voorbeeld van het uitoefenen van een wilsrecht.2 Ik meen eveneens dat de aanzegging een eenzijdige rechtshandeling is. De wil van de verklarende is erop gericht het rechtsgevolg tot stand te brengen, en dat rechtsgevolg treedt in door zijn wilsverklaring, onder de voorwaarde dat de gestelde termijn verstrijkt. De aanzegging is een gerichte eenzijdige rechtshandeling, nu zij moet worden gedaan aan de bij de rechtshandeling betrokken partijen in de zin van art. 3:56 BW.3
Er is niet veel geregeld over de werking en karakteristieken van de aanzegging. Mijns inziens is de verklaring in beginsel vormvrij. Niet besproken in de doctrine is volgens welke maatstaf de aanzegging moet worden uitgelegd. De redelijkheid en billijkheid spelen een rol door de eis van een ‘redelijke termijn’. Het karakter van de aanzegging als aansporende wilsverklaring leidt ertoe dat toepassing van de leerstukken herroeping en dwaling niet van toepassing zijn en dat de aanzegging niet onder voorwaarde kan worden gedaan. De aanzegging heeft geen verbintenisscheppend of goederenrechtelijk rechtsgevolg.