De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.3.7:2.3.7 Analoge toepassing van de dwalingsregeling op eenzijdige rechtshandelingen
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.3.7
2.3.7 Analoge toepassing van de dwalingsregeling op eenzijdige rechtshandelingen
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379216:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 901 (TM).
Bakels 1993, p. 137.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 221 (OM).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 903 (TM).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 157 (TM).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 903 (TM); Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 222 (VV II en MvAII).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 222 (MvA II).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
30. De toepasselijkheid van de regeling voor vernietiging op grond van dwaling op eenzijdige rechtshandelingen is niet evident. Art. 6:228 BW maakt deel uit van titel 6.5, gewijd aan overeenkomsten in het algemeen. Dit werd verkozen boven het opnemen van een regeling in titel 3.2. De grondslag voor vernietiging is niet zozeer dat de wil van de dwalende gebrekkig is gevormd doordat hij uitging van een verkeerde voorstelling van zaken, maar het feit dat die verkeerde voorstelling van zaken is veroorzaakt door inlichtingen of stilzwijgen van de wederpartij.1 Door het opnemen van de mogelijkheid van vernietiging in geval van wederzijdse dwaling is dat uitgangspunt echter genuanceerd.2 In het Ontwerp Meijers was art. 3.2.12 opgenomen, dat bepaalde dat een door dwaling tot stand gekomen rechtshandeling alleen vernietigbaar was in de door de wet genoemde gevallen.3 Iedere analogische toepassing van de dwalingsregeling werd daarmee uitgesloten. In de Toelichting Meijers wordt de wenselijkheid van het voorgestelde art. 3.2.12 in twijfel getrokken.4Het zou alleen verantwoord zijn om vernietiging wegens dwaling buiten de in de wet geregelde gevallen uit te sluiten, indien de wet voor iedere groep van rechtshandelingen zou vaststellen welke voorwaarden gelden voor vernietiging op grond van dwaling. Geconstateerd wordt dat voor vele groepen rechtshandelingen een dergelijke regeling ontbreekt, nog daargelaten of zo’n vaststelling überhaupt mogelijk is. Elders in de parlementaire geschiedenis werd al verzucht dat niemand met zekerheid weet, of bij andere rechtshandelingen dan overeenkomsten een beroep op dwaling is toegelaten.5 Art. 3.2.12 zou daarom te restrictief zijn en een rem op de rechtsontwikkeling worden, waardoor wordt afgezien van enige algemene bepaling over dwaling in titel 3.2.6 Per (groep) rechtshandeling(en) moet worden bezien of de dwalingsregeling er analoog op kan worden toegepast. Voor andere meerzijdige rechtshandelingen dan overeenkomsten bepaalt art. 6:216 BW dat (onder meer) art. 6:228 BW van overeenkomstige toepassing is. Volgens de parlementaire geschiedenis moet ook bij eenzijdige rechtshandelingen de nodige vrijheid aan de rechter worden gelaten.7 Het schrappen van art. 3.2.12 wijst erop dat analoge toepassing niet zonder meer afgewezen wordt. Ten aanzien van eenzijdige rechtshandelingen die worden verricht in het kader van een reeds bestaande rechtsbetrekking, overweegt de wetgever dat een eventuele dwaling ‘in ieder geval’ aan de orde kan komen bij een toets aan de redelijkheid en billijkheid. Op de toepassing van de dwalingsregeling a ik in bij de bespreking van de voorbeelden van eenzijdige rechtshandelingen in par. 2.4.