Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2025/60
60 Executie of inning, gevolgd door verhaal
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD13990:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:248-252 BW.
Art. 3:255 jo. 253 BW. Met ‘geld’ is in art. 3:255 BW niet alleen chartaal, maar ook giraal geld bedoeld; zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3,5 en 6), p. 1340.
Dit vloeit reeds voort uit het gegeven dat een pandhouder geen verhaal mag nemen voor een hoger bedrag dan het bedrag van zijn vordering. Via een verwijzing naar art. 3:253 en 3:255 BW is dit in de wetsgeschiedenis bevestigd: Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3,5 en 6), p. 1340.
Zie art. 3:253 BW, art. 481 e.v. Rv en art. 490 lid 1 en lid 2 Rv. Het bepaalde in deze artikelen is niet alleen van toepassing in geval van executie van een pandrecht, maar tevens in geval van inning door de pandhouder. Vgl. ook Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1340-1341.
Eén van de meest wezenlijke kenmerken van een pandrecht is dat de pandhouder bevoegd is om op het verpande goed verhaal te nemen als de schuldenaar in verzuim is.1 Bestaat het object van het pandrecht uit geld, dan is de pandhouder reeds bevoegd om zich daarop te verhalen indien zijn vordering opeisbaar is.2 Is de verpande vordering nog niet geïnd, dan kan de pandhouder, als zijn schuldenaar in verzuim is, de vordering te gelde maken doordat hij de verpande vordering verkoopt overeenkomstig de regels van executie van pandrecht in het algemeen.3 De pandhouder kan zich vervolgens uit de opbrengst voldoen. Kan de vordering nog niet worden geïnd omdat deze niet opeisbaar is en kan de vordering niet door opzegging opeisbaar worden gemaakt, dan is de pandhouder op deze verhaalsmogelijkheid aangewezen.
Is de verpande vordering door de pandhouder geïnd, dan is hij bevoegd zich op het geïnde te verhalen zodra zijn door het pandrecht verzekerde vordering op de pandgever opeisbaar is. De pandhouder met een opeisbare vordering op de pandgever is bevoegd zich te verhalen op het geïnde door zichzelf daaruit voldoen.4 Het eventuele surplus komt aan de pandgever toe en dient door de pandhouder aan de pandgever te worden betaald.5 Zijn er derden, anderen dan de pandhouder en de pandgever, die rechten op de opbrengst hebben, pandhouders, beperkt gerechtigden of beslagleggers, dan dient het overschot door de pandhouder aan hen te worden uitgekeerd overeenkomstig de rechten van deze derden op dit overschot. Bestaat tussen deze derden en de pandgever geen overeenstemming over de verdeling, dan is de pandhouder verplicht het overschot te storten onder een bewaarder die voldoet aan de in art. 445 Rv gestelde vereisten, hetgeen in de praktijk zal betekenen dat het overschot op een bankrekening wordt gestort. Elk der belanghebbenden kan vervolgens om een gerechtelijke rangregeling verzoeken.6