Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/124:124 Beschikkingsbevoegdheid van de schuldeiser
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/124
124 Beschikkingsbevoegdheid van de schuldeiser
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 30-07-2025
- Datum
30-07-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD19227:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wiarda 1937, p. 94, Ginossar 1960, p. 31 en Eggens 1960, p. 15-16.
Zwalve 2003, p. 668, rechterkolom. In dezelfde zin Zwalve 2006, p. 253-254.
Zie voor een historisch overzicht van de ontwikkeling van deze opvatting tot de hedendaagse opvatting Wiarda 1937, p. 78-86. Vgl. voor het Romeinse recht ook Out 2005, p. 30.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het in goederenrechtelijke zin schuldeiser zijn van een vordering, past dat de rechthebbende van de vordering, de eigenaar, daarover in goederenrechtelijke zin kan beschikken door de vordering over te dragen of daarop een beperkt recht te vestigen.1 Ik onderschrijf dan ook de keuze van de wetgever om mogelijk te maken dat de schuldeiser in goederenrechtelijke zin over zijn recht op de prestatie beschikt; hij kan dit vorderingsrecht overdragen en zo een vervanging van hemzelf door een andere schuldeiser bewerkstelligen. Anders is bepleit door Zwalve, die voorstelt de overdracht van vorderingen in de ban te doen en schuldeisersvervanging uitsluitend langs verbintenisrechtelijke weg mogelijk te doen zijn. Zijn voornaamste argument lijkt te zijn dat cessie leidt tot schuldeisersvervanging, “(...) een typisch verbintenisrechtelijke rechtsfiguur.”2 Dát cessie het verbintenisrechtelijke gevolg van schuldeisersvervanging heeft, is mijns inziens onvoldoende reden om de overdracht van een vordering, zoals hiervoor bleek een goederenrechtelijk recht, onmogelijk te maken.
Opmerking verdient dat men zowel in het Romeinse recht als, in het verdere verleden, in ons burgerlijk recht het recht op de prestatie niet los kon zien van de personen tussen wie de verbintenis was ontstaan. Men beschouwde zowel de persoon van de schuldenaar als de persoon van de schuldeiser als wezenskenmerken van de prestatie, met als gevolg dat men het recht op de prestatie zag als een recht dat uitsluitend kon bestaan als recht van de oorspronkelijke schuldeiser, degene jegens wie de verbintenis van de schuldenaar was ontstaan. Bijgevolg achtte men de overdracht van het recht op de prestatie, waardoor een ander dan die oorspronkelijke schuldeiser het recht op de prestatie zou verkrijgen, niet mogelijk.3