Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/347
347 Vordering uit onverschuldigde betaling op de pandgever of op de pandhouder?
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 08-04-2026
- Datum
08-04-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD97092:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin Asser/Van der Grinten/Kortmann 2-I 2004, nr. 143 en Bartels 2004, p. 165; vgl. ook hiervóór par. 6.3.1.
Zo ook J.J. van Hees in zijn noot onder HR 30 november 2001, JOR 2002/23 (De Jong/Carnifour), Bartels 2004, p. 163-169, Asser/Van der Grinten/Kortmann 2-I 2004, nr. 143 en Verdaas in zijn noot onder HR 24 november 2006, JOR 2006/26 (FIC/Van Lieshout). Laatstgenoemde verdedigt dat de derdebeslagene een vordering uit onverschuldigde betaling heeft tegen de deurwaarder, zolang het door hem betaalde nog onder de deurwaarder berust. Bartels (zie Bartels 2007) heeft later betoogd dat het beroep op art. 477b lid 1 Rv niet opgaat, omdat de Hoge Raad in het arrest FIC/Van Lieshout zou hebben geoordeeld dat deze bepaling alleen een rol speelt bij een verschuldigde betaling. Ik lees dit niet in het arrest, waarin de Hoge Raad art. 477b lid 1 Rv in het geheel niet noemt.
Zie Bartels 2004, p. 166.
Vgl. par. 3.3.4 hiervóór.
In dezelfde zin Asser/Van der Grinten/Kortmann 2-I 2004, nr. 143.
Het stelsel van de wet houdt in dat degene die onverschuldigd heeft betaald, een vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde heeft op de ontvanger.1 De pandhouder int de vordering in eigen naam.2 Betekent dit dat het onverschuldigd betaalde door de debiteur (uitsluitend) kan worden teruggevorderd van de pandhouder en niet van de pandgever?
Voor het geval dat een derdebeslagene een beslagen vordering onverschuldigd heeft betaald aan de deurwaarder, zou ik willen verdedigen dat het onverschuldigd betaalde uitsluitend kan worden teruggevorderd van de beslagdebiteur en derhalve niet van de beslaglegger. Een grondslag voor deze uitzondering op de regel dat degene die onverschuldigd heeft betaald een vordering heeft op de ontvanger biedt art. 477b lid 1 Rv. In dit artikel is bepaald dat het aan de deurwaarder betaalde tevens heeft te gelden als een betaling aan de beslagdebiteur. Op grond van een redelijke wetsuitleg mag deze betaling tevens worden aangemerkt als een betaling aan de beslagdebiteur in de in art. 6:203 BW bedoelde zin.3.
Daarbij komt nog dat het aan de deurwaarder betaalde, in economische zin, in het vermogen van de beslagdebiteur is gevloeid. Voldoening van de beslaglegger uit het geïnde heeft immers tot gevolg dat de schuld van de beslagdebiteur aan de beslaglegger wordt verlaagd met het bedrag waarvoor de beslaglegger uit het geïnde wordt voldaan. Om deze reden is het ook wenselijk dat de derdebeslagene het onverschuldigd betaalde wel kan terugvorderen van de beslagdebiteur, maar niet van de beslaglegger.
Er is nog een reden waarom dit wenselijk is. De beslaglegger die volgens de wettelijke regels verhaal heeft genomen op de opbrengst van de beslagen vordering, moet er vanuit kunnen gaan dat de zaak gesloten is.4
In de wet is niet bepaald dat een betaling van een verpande vordering aan de pandhouder tevens heeft te gelden als een betaling aan de pandgever. In het systeem van de wet ligt wel besloten dat een betaling aan de inningsbevoegde pandhouder de debiteur ook jegens de pandgever bevrijdt.5 Dit is een grondslag om aan te nemen dat degene die onverschuldigd heeft betaald aan de pandhouder een vordering uit onverschuldigde betaling heeft op de pandgever.
Een andere parallel met derdenbeslag is dat het aan de pandhouder betaalde, in economische zin, in het vermogen van de pandgever vloeit. Voldoet de pandhouder zich uit het geïnde, dan heeft dit tot gevolg dat de schuld van de pandgever aan de pandhouder wordt verlaagd met het bedrag waarvoor de pandhouder zich uit het geïnde voldoet. Om deze reden is het wenselijk dat de debiteur het onverschuldigd betaalde vervolgens wel kan terugvorderen van de pandgever, maar niet van de pandhouder. Dit is daarnaast wenselijk omdat de pandhouder, evenals een beslaglegger, er mijns inziens vanuit moet kunnen gaan dat de zaak gesloten is nadat hij zich te goeder trouw uit het geïnde heeft voldaan.
Een redelijke wetsuitleg leidt tot de conclusie dat de betaling aan de pandhouder tevens mag worden aangemerkt als een betaling aan de pandgever in de in art. 6:203 BW bedoelde zin. Aannemelijk is dat, indien een verpande vordering uit een overeenkomst is voldaan aan de pandhouder en deze zich te goeder trouw uit het geïnde heeft voldaan, het onverschuldigd betaalde kan worden teruggevorderd van de pandgever en niet van de pandhouder.6